Dresden als landschap / Volker Braun

wilhelm rudolph

Schervensteppe , hier en daar een open haard
Sleetje rijden op het soldatenpad
Afweergeschut bij ’t middagmaal vierhandig van blad
Teder als dieren gaan de bergen langs de stroom
Ontheemden in kelders op
GEBORGEN
helaas, de stakkers
Doolden door uitgebrande trams huizen-
Fakkels

Rudolph in puin.

Als eerste schetste ik mijn eigen

Schroot, hoop blikken bekkens.

Grijnzend veegde de grijsaard het keldergat met
Een muuranker bebloed het grauwe struikgewas
Een mens was niets meer waard dan wat hij nog bezat

Je kon toch enkel tellen die je gevonden
Had
hij wreef in zijn ogen.

Opgestapeld lagen er daar steeds twee-, driehonderd
Balken ertussen dan benzinevaten
Wilden de lijken niet branden dan vlammenwerpers
De mensen doolden rond

Zwart door vette rook, met een gansenveer
De woonskeletten, al door de Rus beschoten
Bloedserieus

Het is nog te vroeg voor zoiets.

De dwangarbeiders langs de oevers grijnsden al om de donder
Verscheurd groen
Het was toch zo’n prachtige lentedag!
Stoorde hen helemaal niet, ze
Durfden alleen nog niet zo.

De hitte. Stilte. Ook geen vogel
Dat kost kracht. De bruggen
Over het slingerend lint
Stokte de adem
De SS in hun nesten
Die konden je, als dieren langs de stroom

Mensenpuin het gekromde volk van hielenlikkers.
Met paard-en-wagen Derde Wereld
Bevrijders wasten op de plee
De piepers
Rudolph mee-
Dogenloos

De nederlaag.

En de platgedrukte tros
Verdrong zich rond de deuren opnieuw beginnen
Persilschein Operakaartjes
Acteurs argeloosvrolijke statisten
Het geliefde Dresden Dal der Argelozen
Hij wreef zich de ogen uit
de puinhopen

Toegestaan nimmer.
Die wilden toch alleen het NIEUWE LEVEN zien.
In rooskleurig licht de ruïnes nog altijd mooi

In de fundamenten
De dwalingen al ingekrast, dat

Of ik denk, de muren staan
In mensenloze tijd, montagebouw
Symmetrisch langs de stroom
Dat heb ik, zie hieronder
De doden blikken in een rozige toekomst
Na de neutronendreun de vorstenstoet
Op Meißner tegels te voet
Een paar mannen in sjofele pakken
Mickel Czechowski Braun en Tragelehn
In de verbanning naar Pruisen

Hartknoch de mensenvriend
Op het kerkhof Maria am Wasser
Verdedigt de veste gelukkige provincie.

Dat heb ik gedaan.

*

Dresden als landschap / Volker Braun, Langsamer knirschender Morgen, Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig, 1987. En in Der Stoff zum Leben 1-3, Suhrkamp Verlag, Frankfurt/M, 1990.

Tekening Wilhelm Rudolph – Das zerstörte Dresden – Kaiserpalast, 1952. 

Vertaling ©Jacques Schmitz. Uit: Voor vrienden visgedichten. Een dialoog met de Saksische Dichtersschool in poëzie-vertalingen, eigen gedichten, portretten, essay. Deze bundel is nog in de maak.

Der Stoff zum Leben 1-4. Gedichte © Suhrkamp Verlag Frankfurt am Main 1990, 1999, 2009  All rights reserved by and controlled through Suhrkamp Verlag Berlin

http://www.suhrkamp.de/buecher/der_stoff_zum_leben_–volker_braun_22447.html

Vandaag, vrijdag de 13e februari, is het 70 jaar geleden dat Dresden door de Westerse geallieerden werd platgebombardeerd. Wat Hitler met steden als Rotterdam, Coventry en andere deed, keerde als een boemerang terug naar Duitsland. Naar tal van Duitse steden. Toen de WO II eigenlijk voor de Duitsers al verloren was, vernietigden Britse en Amerikaanse bommenwerpers tussen 13 en 15 februari 1945 grote delen van Dresden. Bij die bombardementen vonden tegen de 25 duizend mensen de dood. Voor  de dichters van de Saksische Dichtersschool – vooral degenen die het zelf als kinderen meemaakten – een permanent thema in hun werk.

VorstenstoetDe beroemde Fürstenzug in Dresden is het grootste keramische wandbeeld ter wereld. Op meer dan 25 duizend tegels wordt een historische stoet van de Wettin-dynastie uitgebeeld, die van 1123 tot 1904 in Sachsen heersten. De vorsten worden door het volk begeleid. Het 101,90 meter lange wandbeeld werd tussen 1871 en 1876 in sgraffito-techniek uitgevoerd naar een ontwerp van Wilhelm Walther (1826 – 1913). Tussen 1905 en 1906 werd het wandbeeld gerestaureerd op tegels die gemaakt werden door de Koninklijke Porceleinmanufactuur Meißen.
Teder als dieren…de enige nog overgebleven regel van Czechowski’s gedicht An der Elbe (1957).
Rudolph, Wilhelm – Schilder, graficus, tekenaar. Geboren 1889 in Hilbersdorf (bij Chemnitz), gestorven 1982 in Dresden. Voor de WO I studeerde hij aan de Kunstacademie in Dresden. In de nazitijd gold zijn werk als verboden “entartete Kunst”. Bij de geallieerde bombardementen op Dresden in februari 1945 ging in Rudolph’s stadsatelier een goed deel van zijn werk verloren. Na de oorlog was hij van 1945 tot 1949 professor aan de Dresdner kunstacademie.
Gekromde volk van hielenlikkersis een citaat van Jean Paul uit 1798, het jaar waarin hij zijn Konjekturalbiographie schreef, een biografische vooruitblik. De Duitse auteur heette eigenlijk Jean Paul Friedrich Richter, geboren in 1763 in Wunsiedel, gestorven in 1825 in Bayreuth.
PersilscheinTijdens de denazificatie na de WO II konden van misdaden verdachte nazi’s van vervolging en blaam gezuiverd – schoongewassen – worden door gunstige getuigenissen van voormalige slachtoffers of tegenstanders. Die “vrijbrief” werd naar het wasmiddel een Persilformulier genoemd.
Het geliefde Dresdenis een citaat van de Oost-Duitse feuilletonnist Heinz Knobloch (1974).
Mickel Czechowski Braun en TragelehnAlle vier behorend tot de Saksische Dichtersschool en alle vier zijn in Dresden geboren. Tijdens het bombardement van 13 februari 1945 waren Mickel en Czechowski 9 jaar, Braun 5 en Tragelehn 8 jaar oud.
HartknochOp het kerkhof van “Maria am Wasser” ligt een nakomeling van de 17e eeuwse Königsberger historicus en kartograaf Christoph Hartknoch (1644- 1687) begraven: De bekende Dresdner boekhandelaar Hartknoch, die begin 19e eeuw van Königsberg naar Sachsen verhuisde. Diens grafsteen draagt de tekst “Hartknoch, der Menschenfreund”.
Maria am Wassereen schipperskerk aan de Elbe in de Dresdner wijk Hosterwitz, gebouwd in 1495. Rond 1500 werden op het kerkhof de eerste mensen begraven. De tegenwoordige lutherse kerkgemeente heeft een van de kleinste begraafplaatsen van de stad. Beide, kerk en kerkhof, vallen onder monumentenzorg.

*

Elbflorenz

(voor Rainer K. en Karl M.)

Portrait Of Laura- Petrarch'S Beloved

Canzone-club, hun smachtende gezang en
gedichten. Beatristen, Laureaatjes,
Fiamettanten, allen beste maatjes.
Zij ook al zongen: Liedjes van verlangen.

Deden ’t hoofs met vrouwen van hun dromen
en doolden dan, al dwepend, door Firenze.
Dichtend, denkend, verder niks te wensen.
Alleen al ’t klaar gedachte deed hen komen.

Hun volgelingen, baarden likkend en frivool,
verre van platonisch, hoofs, schijnheilig.
Zo maakten die dan Elbflorenz onveilig –
de jongens van de Florentijnse school:

Zich loops en lyrisch wijdend aan van dattum.
Of nou getrouwd of zwanger, een pot: Nat ‘m!

*

De beroemdste Canzoniere (een verzameld dichtwerk) is wel de bundel met 366 sonetten en andere verzen, Rerum vulgarium fragmenta, die Francesco Petrarca (1304 – 1374) schreef voor zijn geliefde Laura. Petrarca, leraar en vriend van de negen jaar jongere Giovanni Boccaccio (1313 – 1375), de schrijver van de Decamerone en een uitvoerige verhandeling over de Divina Commedia van Dante Alighieri (1265 – 1321). Deze drie Italiaanse schrijvers en filosofen van de vroege renaissance zijn allen in of vlakbij Florence geboren en hadden een platonische verering voor hun geliefdes: Dante voor Beatrice, Petrarca voor Laura en Boccaccio voor Fiammetta.

De werkelijke identiteit van de drie dames is nog altijd omstreden. In die tijd werd in gedichten en liederen wel vaker de liefde voor vrouwen bezongen, echte en imaginaire. Van Dante zelf zijn er, behalve zijn gedichten, geen aanwijzingen over de identiteit van z’n Beatrice. Boccaccio echter meent in haar Bice Portinari te herkennen, dochter van een rijke handelaar. Maar wellicht is Beatrice alleen Dante’s eigen poëtische schepping. Anders was het gesteld met Petrarca’s geliefde Laure de Noves, die hij volgens eigen zeggen op Goede Vrijdag 1327 voor het eerst zag in de Saint-Claire kerk van Avignon. Zij was toen reeds twee jaar gehuwd met Hugo II de Sade, waarschijnlijk een van de voorvaderen van de beroemd-beruchte markies. Al is het nog altijd de vraag of zij ook werkelijk de Laura van de Canzoniere was. Volgens sommige interpretaties kan de naam ook afgeleid zijn van de lauwerenkrans van Petrarca, de poeta laureatus. Van Fiammetta heeft Boccaccio waarschijnlijk alleen de naam zelf verzonnen, want zijn ideale geliefde was in werkelijkheid de adelijke Napoletaanse Maria d’Aquino.

Karl Mickel (1935 – 2000) en Rainer Kirsch (geb. 1934) werden in of nabij Dresden (ook wel Elbflorenz genoemd) geboren. Ze bestudeerden de grote Italiaanse dichters van de renaissance, wier gedichten zij vertaalden. Beiden schreven zelf ook gedichten naar strenge, maar soms ook vrijelijk geinterpreteerde sonnetregels . De beide schrijvers van de Saksische Dichtersschool hadden een grote affiniteit met die van de “Florentijnse“. Alleen gingen ze in hun werk wat openhartiger om met hun liefdes en affaires. De gedichten Sonnet (Kirsch) en Tegensonnet (Mickel) getuigen daarvan, maar dat zijn lang niet de enige voorbeelden. Hun beider geliefde was Sarah Kirsch (1935 – 2013), maar die werd een stuk minder platonisch beschreven dan bij hun Toskaanse geestverwanten gebruikelijk. Ze was niet alleen de echtgenote van Rainer Kirsch, maar ook de moeder van een van Mickel’s kinderen. Ook aan hun Italiaanse voorbeelden hebben Mickel en Kirsch veelvuldig gerefereerd. Karl Mickel titelde zijn poëziebundel Vita nova mea (1966) naar Dante’s autobiografische Vita nova (1295) en beleerde met Dante in de hand de collega-dichter Wulf Kirsten (Inferno XXXIV. Voor Kirsten). Kirsch vertaalde, verwerkte en schreef ook zelf sonnetten naar het voorbeeld van Petrarca, zoals Naar Petrarca’s maat. Of ook de reeks Petrarca heeft kaasjeskruid in de tuin en zwijgt over de raadselen der wereld (2002).

*