Poesie, poesie, poeh

Roteb

voor de Roteb

Boten, boten, boeh
Heel dit hels gedoe, waartoe?

Klote, klote, clou:
Mijn hemel, ze varen er naartoe!

*

‘Is dit kunst of kan dat weg?’

Uit: De Rotterdamse School

 

Advertenties

ATLANTIS voor m

1.

MAASHAVEN KIL IN JE PARKA. Uren aan de kade. Alleen
de kopmeeuwen schreeuwen: dat trekt ouderwets
naar zee. Broeit. De borst tot barstens vol. Stelt je
als een brandend braambos aan, wil maar niet vergaan.

De kranen hoog en hard. Wagons, zo zwarte gaten op dood
spoor. Geknars, geklots. Grauw en bruin, roest, vuil. Olie
op het water – grillige kringen regenboog. Het midden
van de wereld.

Strakgespannen kabels alle kant. Schepen klitten,
zoutkristal, korallen aan hun kiel. Tekens, uit zee.

2.

ATLANTIS IS OP HANDEN. Zout water in je hoofd. Het klotst
tegen je tanden. Al veel te lang beloofd. Te langzaam

loop je over. Je mond vol wier en vis. En niemand wil
geloven, dat dit Atlantis is. Staat water tot je lippen.

Koraalrif op je mond. Atlantis op de klippen. Je roept
om vaste grond. De zee komt tot je oren. Je roept

Atlantis uit. Maar niemand kan het
horen. Het water boven sluit.

3.

MOOI, TOEN ZE ER EENMAAL WAS. Okselhoog. Nauwelijks
droog. Zocht rillend het midden tussen gekluisterd en
ontketend zijn. Als ze al deinde, dan brak ze de golfslag
voortijdig af. De angst om wat daar achter lag: De springvloed.

Schreef. In een stijl die nergens op leek. Neigde naar
de rotsschilderingen van Heyboers stille leerling,
zijn kale koude atelier beneden NAP: fossielen,
onderstromen, diepwaterverhalen.

Zo kraste ze zelf op papier: woorden, toevallig
gevonden, opgeborreld, wrakhout. Tekens gemorst
uit zee. Haar techniek, die van breien: minderen.

Zo schrapte ze verwarring.

4.

FOTO DOOR ATLANTIS VAN ZICHZELF GEMAAKT: klein zilvergrijs
springt uit een groot wit meer. De hals steekt uit het niets, uit
waterige grijzen, steekt eigenlijk niet maar glijdt. De flank
van een dolfijn, reikt. Waarnaar het streeft valt
net buiten het kader.

Zichtbaar: de frons en het gefluister bij haar schelp. Geen
contouren, contrasten, een vloeiende lijn van grijs in grijs.

Achter die sluier de matte glans van een grimas: verrukking,
pijn. Gezicht omhoog half afgekeerd. Zie Goya.
5.

ONDER WATER EN IK HOUD HAAR DAAR. Vaar en dompel
ontspannen mijn polsen.

De maan hangt onderuit gezakt, geknakt, aan het koord
van de horizon. Populieren langs het strandje trekken strakke,
zwarte lijnen door het wateroppervlak. Een web, dat glinstert.

Grinnikend herinnerd. De wallen rond de stad
winden zich donker borstelig
op. Het water, geschrokken, verstrakt:
een glazen, gladde plaat. Onder die spiegel
hapt Atlantis.

DE ZEILEN BOL, IK VAAR, ONTSNAP. En dompel ontspannen
mijn polsen.

In glas.

*

plusminus 1975 / bewerkt 2016

Heyboers stille leerling is de onlangs overleden kunstenaar Arie de Groot (1937-2016). Arie woonde en werkte in de jaren zestig / zeventig onder aan de Waaldijk, beneden NAP, in Dalem, bij Gorinchem. Het Rotterdamse museum Boijmans plant nog dit jaar een overzichtstentoonstelling van het werk van De Groot.

 

 

De Rotterdamse School

rotterdam HAL 1946

Wat een trotse traditie van oneliners en bonmots! Stapeltjes uit de pre-fab blokkendoos: de Rotterdamse School: Wat een diepte hè / als je omhoog kijkt. Hij reikt, bekijkt uit grote hoogte. Tweeëntwintig hemeltrappen van ivoren stapeltorens. Een regeltje uit het spät-oeuvre van de fladderende flapuit. “Een pond veren” – en meteen raak! Met gesloten ogen en een zen-boog geschoten. Dat verruimt geestig de blik. Kwam de schrijver bij leven nooit veel verder dan de Oude Binnenweg, kijkt hij nu, vanaf de Kop van Zuid, over de hele stad uit.

Ach paljas! Dichter van staat, van stad, van straat. Dronkenlapdanser, onelinesnuiver, blowjobber. Deed z’n plas / in de damestas. Drinkt z’n flesje, likt haar hesje, sleutelt ’n tekstje. Woordkapper: kort geknipt graag! Makkelijk weg te happen, snel in te trappen. Eet één zo’n vogel uit de hand, laten allen ras hetzelfde poepie ruiken.

Vorm of event. Is dat poëzie of kan dat weg? Dichters naar de vuilverbranding. Lijden? Zou kunnen. Ken jij Frans? Nee, maar hij kan mij ook niet.

De copywriter is met vereende kracht de Himmelsleiter op geschoven. Als dichter de hemel in geschreven. Opgedrongen, opgedronken. Met de oneline-likes van al z’n vers- en kroegmaten: aanbevelingsbrieven voor Petrus’ hemelse bewakingsdienst.

Al in 1970 (!) stencilden Smit & Ik samen een kritische bundel met een keuze uit reclame-versjes: De copy-writer is een dichter. Uitgeknipt, opgekrikt. Typisch Rotterdams peil. Petrus, beste vriend! Zo hebben deze twee hun Passierschein wel verdiend!

*

blokkendoos Rotterdam, beroemd voor z’n gedurfde architectuur, mijn geboortestad. Nog zo’n traditie die al vroeg begon in de havenstad. Dat hebben we aan de mof te danken: Tering, die teerling na de oorlog nog altijd geworpen! De uitgestorven vlaktes, de lege Lijnbaan, het metrozand langs de havenkant, Calimero’s Manhatten-Klein.

wat een diepte hè de diepte-regel van Frans Vogel werd op de pui van De Rotterdam aangebracht door de gemeente, die daar kantoor houdt op de 22ste verdieping.

stapeltorens De Rotterdam, de laatste architectonische ‘aanwinst’ op de Kop van Zuid. De wankel gestapelde skyscrapers van Rem Koolhaas. De kolosklos.

een pond veren – deze regel voegde ooit Vijftigers-dichter Bert Schierbeek de dichter-querulant Frans Vogel (overleden 19 februari 2016) toe, toen die zoals gebruikelijk een avond op het Rotterdamse Poetry International met zijn kreten dreigde te verstoren. Schierbeek, de schrijver van De tuinen van Zen (Bezige Bij, 1959) greep Vogel bij de kraag en sprak, onverstoorbaar boeddhistisch, de spontane haiku: ‘Een pond veren/ vliegt niet/ als er geen Vogel/ in zit!’

Deed z’n plasvolgens barjuffrouw Vingerhoets deed het ‘enfant terrible’ dat geregeld bij voorkeur in damestasjes. Zoals hij volgens haar ook altijd Café Timmer betrad met de kreet van verlangen naar ‘kut en neuken‘. In dit café werd op 25 februari 2016, aansluitend op Vogels begrafenis, een slok op de dichter gedronken.

Oude Binnenweg – een van de weinige beroemde (nouja, bekende) straten in het centrum van Rotterdam die het Duitse bombardement (meer min dan meer) ongeschonden overleefde. Mijn opa woonde om de hoek en ook hij frequenteerde café’s als Melief Bender (Vogel: Melief ik ben er).

vuilverbrandingde Roteb, de Rotterdamse vuilophaaldienst, rijdt met z’n vuilniswagens al sinds 1988 poëtische regeltjes door de stad: Vegter, Vaandrager, Vogel…wie nog niet?

Himmelsleiter – ook wel de Jakobsleiter (jacobsladder), naar de bijbelse aartsvader Jacob die in een visioen een trap tot in de hemel zag (Gen. 28,12). Onder die naam ook een – zo te zien nogal esoterische – begrafenisondernemer in Berlijn-Zehlendorf.

Copy-writer – In 1970 stelden Han Smit & ik de gestencilde bundel “De copy-writer is een dichter” samen, ironisch-kritische, geniete A4-velletjes, die op 1 oktober 1970 bij de opening van het Reclame-Efficiency Kongres in Amsterdam aan alle deelnemers werd aangeboden. In de verzamelbundel maakten wij ons druk over de schandelijk poëtische schijn van de reclame-lyriek.

*

Dichters huizen hogerop

Rotterdam id mist - Peter Schmidt

(naar Elke Erb)

Rotterdamse dichters ze
huizen in skylines.

Moeten alleen,
in hun betonnen torens, steen stevig
als eeuwen, van haven
lucht, van ’t adem
benemende uitzicht
op hoger, nog hoger

leven.

*

De Duitse dichteres Elke Erb werd in februari 1938 in de Eifel (West-Duitsland) geboren. Haar vader doceerde na de oorlog aan de universiteit van Halle (Oost-Duitsland) en emigreerde met zijn gezin in 1949 naar de DDR. Erb was als dichteres deel van de zogenaamde Saksische Dichterschool en van 1967 tot 1978 getrouwd met dichter en essayist Adolf Endler. Zij schreef o.a. de ironische tekst Dichters huizen in eeuwen (in de bundel Einer schreit nicht!, Verlag Klaus Wagenbach, Berlin, 1976) waarin zij de belazerde woonsituatie van ‘onwelgevalige’ DDR-dichters als Endler aan de kaak stelde: … onderdak vijf hoog, / Zonder bad, achterhuis, wc op de gang, maar zonnig. / Als de dichter Endler zijn hoofd uit het raam steekt, / Dan kijkt hij of de vuilnisbakken al zijn geleegd.
Elke Erb noemde haar tekst in 1990 – bij Endler’s 60ste verjaardag – een gedicht, dat een dubbele leugen demonteert. Ten eerste haalt het volgens haar de huichelachtige ophemeling van de kunst in de ‘socialistische’ samenleving en de ‘era‘ (de eeuwen, de tijdperken) als een begrip ter zelfbewieroking van de verordonneerde, geveinsde gemeenschapzin onderuit. En, secundo, wordt de sakrale stelling ontmaskerd dat de kunstenaar met het volksleven verbonden hoorde te zijn. Het gedicht laat zien hoe beroerd dat (DDR-)volk wel niet moet wonen en daarmee ook de werkelijke ‘volksverbondenheid’ van de dichter Endler. Heel anders dan die dichters, de ‘echte’, de gewaardeerden, die aan de norm voldoen en hem naar de rand van de DDR-samenleving verdrongen resp. midden in de ‘dieptes van het v.’. (In: Sondeur, Heft 7, oktober 1990).
Rotterdamse dichters daarentegen, dankzij hun traditionele volksverbondenheid (‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’), zoeken het luchtig in hun betonnen torens hogerop. Zij kunnen uit de hoogte roepen (‘je pleurt wat in de pan, als je koken kan‘ – Riekus Waskowsky), maar hebben het ook niet breed. Beleven de dieptes van torens. Van boven bekeken of ook van onderen: Meer perspectief dan pecunia.

Foto © Peter Schmidt

Plotsklaps!

In de mast nog fier gehesen
de driekleur : eerst groen, wit, groen –
dan: brand, aarde,
as: zo vlagt ‘t Park

Aan de rand van de verkoolde
binnenstad: de beestenbark
dobbert, onder
: bommen.

Noach’s drama, een kille
komedie op een
blije bühne:

Zoo!

Plotsklaps! staat daar grootvee
in ‘t decor: Giraffen, olifanten, ratten
opgedreven aan de Maas. Verdringen
zich, verdrinken

Drijven aan het eind
de dode dieren teder
mee naar:

Zee!

//

Plots valt het doek, dan

: Klappen!

*

Teder bewegen als dieren de bergen langs de stroom. Dit is een (de enig overgebleven) regel uit het Elbe-sonnet van de Oost-Duitse schrijver Heinz Czechowski (1935-2009). Inmiddels is het een beroemde dichtregel en collectief erfenis van de Saksische Dichtersschool, die de regel in verband bracht met de vernietigende bombardementen in februari 1945 op Czechowski’s geboortestad Dresden. Een historisch drama, zoals ook het onverwachte, plotsklapse bombardement op mijn geboortestad Rotterdam van mei 1940. Daarbij werd ook de diergaarde Blijdorp door de bommen getroffen en sloegen de wilde dieren op de vlucht naar de oevers van de Nieuwe Maas. Een dramatisch stuk, dat de geschiedenis schreef.

Jacques Schmitz