Tijd, getijden, gelijktijdigheid

jack spicer

Meteen nadat ik mijn vertalinkje en een stukje over de Amerikaanse dichter Jack Spicer, de Brexit en de gelijktijdigheid der tijden had gepost (j.l. zaterdag), vond ik tot mijn grote vreugde Mütze # 12 & 13 in de brievenbus. Bestaat er nog wel zoiets als toeval of is toch echt alles met alles vervlochten?

In beide nummers de eerste van de vier Vancouver Lectures (in tweeën geknipt) die Spicer daar in juni 1965 heeft gehouden (in de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger). In de voordracht en aansluitende discussie met publiek behandelt Spicers ideeën over poetic dictation, over het poëtisch dictaat en de dichter als medium, als radiotoestel dat gedachten en gedichten uit de ether oppikt en doorgeeft. Spicer geeft als speelse uitleg ook wel marsmannetjes de schuld, die de kamer en de keuken van de dichter binnendringen, het meubilair verschuiven en hem de gedichten dicteren. De dichter is eigenlijk niet veel meer dan een kosmisch doorgeefluik, zeg maar.

Maar toch, Spicers door en door geconstrueerde poëzie maakt nu helemáál niet de indruk dat ze hem zomaar is aangewaaid of aangedragen werd door geesten of goden. Maar toch houdt de dichter onwrikbaar vast aan zijn ietwat absurde idee dat zijn beste verzen werden voorgezegd. Voor Jack Spicer is gedichten schrijven geen, zegt ie, lyrisch ambacht. Zijn handwerk bestaat hoogstens uit het geschikt rangschikken van de gedicteerde tekstdelen. Alsof de gedegen kennis, de vele bijelkaar gelezen bibliotheken en de poëtische praktijk niet zouden rond dwarrelen in Spicers geest en hij het dus zelf is die de stemmen uit de ether imiteert.

Spicers idee van poetic dictation is zijn metafoor voor het gecompliceerde, onoverzichtelijke en ook ondoorzichtige, deels intuitief gestuurd schrijfproces. De dichter vraagt zich af hoe hij op ideeën komt, of beter gezegd, hoe hij ze aangereikt krijgt. Dat idee zelf heeft Spicer van de Ierse dichter William Butler Yeats (1865-1939), in 1923 winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Yeats en zijn vrouw waren nogal van occulte en spiritistische inslag en in de trein van San Bardino naar Los Angeles raakte de echtgenote (G. Hyde Lees) in trance. De Ierse dichter vroeg de geesten die van het medium Georgie bezit hadden genomen, wat ze eigenlijk in de Southern Pacific trein te zoeken hadden. Waarop de geesten antwoorden: “We zijn hier om jou metaforen voor je dichtkunst te bezorgen.” Ja, er valt bij Jack Spicer ook over zeer ernstige zaken altijd wel wat te lachen!

In mijn stukje/geintje van zaterdag citeerde ik ook Spicer over de gelijktijdigheid der tijden: “Toekomsttijd,” zei de gouden kop, / “Hedentijd. Verledentijd.” Aan het eind van zijn serial poem, de gedichtenreeks “De Heilige Graal”, in het zevende, laatste Boek over Arthurs Dood, schrijft Spicer over het gegons in het hoofd van de stervende Arthur, de “king and future king”, die zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Ondanks al dat eindeloos gelul en die genante muziek hoort de dichter toch nog iets uit de ether: “Een gegons in het hoofd van de prins. Iets in godentaal.”

Soms komt er nog iets door. Zou het dan toevallig zijn, dat ik nog geen dag later (op zondagmorgen, 5:30 uur) aan het eind van Jack Spicers eerste Vancouver voordracht (gehouden nota bene op 13 juni 1965, de honderdste geboortedag van Yeats) het volgende lees? “Op den duur lopen verleden, heden en toekomst weer uit op de oorspronkelijke meubilering van de kamer van de dichter. Dat iets in het gedicht pas morgen gebeurt, maakt iets niet geheimzinniger dan wat vandaag in het gedicht staat en gisteren is gebeurd. Toekomst, verleden en heden zijn in velerlei opzichten met elkaar vervlochten.”

Zo stapelt Jack Spicer zijn ingefluisterde gedichten tot een poëtisch vlechtwerk. Daarin kan in elke geschiedenis alles met alles samenhangen en gelijktijdig gebeuren. Ook die notie heeft Jack Spicer niet van een vreemde. In zijn Vancouver toespraak verwijst hij naar Ezra Pound, die overigens ooit ook secretaris van William Butler Yeats was. “Pound gebruikt geschiedenis op een extreme manier: Niet als geschiedenis zoals we die in onze discussie hier te horen kregen, maar als geschiedenis in de zin dat alles met alles samenhangt.”

De eindeloze zoektocht naar de graal. De Moorsoldaten. De ene Tony en de andere. Clyde, de geile pad. Feeën, sprookjes. De dwaasdoder. Baseball. De mariniers van Tarawa. Het leven, kortom alles, trekt voorbij, geschiedenis. Ze bezorgt de koning geruis in het hoofd en laat de ridderhelmen op hol slaan.Branding. Een queeste vol rollende koppen, aanrollende golven. Als tekens uit een kosmische oceaan. In het tweede vers van het Boek Lancelot gaat dat zo:

Wandel langs het strand en luister samen naar het geruis van de oceaan.
De mariniers van Tarawa, Java, brandende olie op de hielen
Crawlen dat hun leven hen lief is.
Zeg jij en hij ook en zinloos zegt de kuststrook
Graal ter hoogte van boei 029.
In het slijk van dat ding-muziek
Golven branden langs het strand, als wilden ze mens’lijk zijn
De matrozen brullen.
Wandelend langs het strand, verliefd of niet, horen ze het gegons
Van de oceaan.

Jack Spicer is een strandjutter die de gaven van de oceaan verzamelt. En wat daar allemaal niet in de branding aan komt rollen! Dat is geen zoetgevooisd pretje. Er mag gelachen worden, maar het is een ernstige bisnis. Ergens, in een van de vier Vancouver Lectures zegt Jack Spicer dat poëzie niet voor de lol is: “Poetry isn’t for pleasure” (geciteerd door Stefan Ripplinger in zijn Gralsspiel). Zo moest de Tarawa-landing in november 1943 wel opduiken tijdens een strandwandeling. Dus moesten de Amerikaanse mariniers en matrozen, onder hevig vuur van de Japanners, in een brandende oceaan voor hun leven zwemmen bij de landing op het Tarawa atol.

Wat daarvan overblijft, is geruis en gegons, het gebrul van de branding, die “ding” muziek. Geluid zonder verdere betekenis, zonder mededeling, een leeg ding. In die zin is zelfs de Graal maar een ding op zich, een leeg midden, een vacuüm. En zoals de ding-muziek van de oceaan is voor Jack Spicer ook taal een ding, poëzie op zich, gedichten waar niemand naar luistert.

Dat ding taal

Deze oceaan, vernedert nog het meest
Met z’n maskerade.
Niemand luistert naar gedichten. De oceaan
Is niet om naar te luisteren. Een druppel
Water of een plens. Het betekent
Niets.
Het
Is broodwinning, doorsneetje
Peper en zout. De dood
Waar jongemannen naar verlangen. Doelloos
Beukt het op de kust. Witte zinloze signalen. Niemand
Luistert naar gedichten.

Jack Spicer

 

Ook Mütze # 12 & 13 zijn los verkrijgbaar voor € 6,- het stuk en als abonnement  voor € 30,- (5 stuks, naar buitenland, incl. porto) . Mijn vertaling van het 2e vers uit Het Boek Lancelot baseert op het origineel van Jack Spicer en de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger, beide in Mütze # 11. Spicers origineel van mijn vertaling, Thing Language, is te vinden bij Poemhunter.