Poëzieweek 03

Mickels dood

De kraai krast in het nachtzwart
van z’n boxershorts (wat daar nog altoos
ritselt) en roept bij aankomst
reeds: Arreviderci!

Een komengaan van vrienden
en vriendinnen, opgemaakte
tranen en adem
benemend in koma
slapend, wakend

Droomt nat van zuster
hand, komt/gaat wanneer
ze weder keert?

Zorg wekkend alleen
de boodschap van de grote
broer:

Zoals de stroom naar ’t Oosten drijft,
zo krenkend

trekt het leven

naar zijn bittere
eind.
*

In zijn laatste bundel, deels geschreven in ziekenhuizen niet lang voor zijn dood, nam de Duitse dichter Karl Mickel ook dit korte, laconische gedichtje op: Het bezoek / Ik ben de Kraai / Mijn naam is Arreviderci / Ik moet u de groeten doen van / Mijn grote broer Raaf / Nevermore.

De raaf Nevermore, de boodschapper van de dood, komt aangevlogen uit het gedicht van Edgar Allen Poe The Raven, dat deze week precies 170 jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd, op 29 januari 1845. Karl Mickel, geboren op 12 augustus 1935 in Dresden, stierf op 20 juni 2000 in het ziekenhuis in Berlijn, de laatste weken van zijn leven in coma.

Dertien jaar later vond een Berlijner in net gekochte boxershorts (made in China) een ingenaaid papiertje met haastig opgekraste tekens. Hij dacht dat het om een noodkreet van een onderdrukte Chinese loonslaaf ging. Maar het bleek een oud Chinees gedicht te zijn:

De raaf – Wu Ye Ti, dook voor het eerst op in Chinese handboeken van 1425. Het is oorspronkelijk een liedtekst voor een dans met zes personen. Een deel van de oorspronkelijke tekst: De raaf krast in de nacht / Het roze lentelicht verdwijnt uit bosbloemen / Haast, haast / Hoe kunnen ze de koude dauw van de ochtend verdragen / En de winden in de middag. // (…) De opgemaakte tranen / Die verdoven en de adem doen stokken / Wanneer zullen ze weer komen? / Zoals de stroom naar ’t Oosten drijft, zo krenkend trekt het / Leven naar zijn bittere eind.

*

Elbflorenz

(voor Rainer K. en Karl M.)

Portrait Of Laura- Petrarch'S Beloved

Canzone-club, hun smachtende gezang en
gedichten. Beatristen, Laureaatjes,
Fiamettanten, allen beste maatjes.
Zij ook al zongen: Liedjes van verlangen.

Deden ’t hoofs met vrouwen van hun dromen
en doolden dan, al dwepend, door Firenze.
Dichtend, denkend, verder niks te wensen.
Alleen al ’t klaar gedachte deed hen komen.

Hun volgelingen, baarden likkend en frivool,
verre van platonisch, hoofs, schijnheilig.
Zo maakten die dan Elbflorenz onveilig –
de jongens van de Florentijnse school:

Zich loops en lyrisch wijdend aan van dattum.
Of nou getrouwd of zwanger, een pot: Nat ‘m!

*

De beroemdste Canzoniere (een verzameld dichtwerk) is wel de bundel met 366 sonetten en andere verzen, Rerum vulgarium fragmenta, die Francesco Petrarca (1304 – 1374) schreef voor zijn geliefde Laura. Petrarca, leraar en vriend van de negen jaar jongere Giovanni Boccaccio (1313 – 1375), de schrijver van de Decamerone en een uitvoerige verhandeling over de Divina Commedia van Dante Alighieri (1265 – 1321). Deze drie Italiaanse schrijvers en filosofen van de vroege renaissance zijn allen in of vlakbij Florence geboren en hadden een platonische verering voor hun geliefdes: Dante voor Beatrice, Petrarca voor Laura en Boccaccio voor Fiammetta.

De werkelijke identiteit van de drie dames is nog altijd omstreden. In die tijd werd in gedichten en liederen wel vaker de liefde voor vrouwen bezongen, echte en imaginaire. Van Dante zelf zijn er, behalve zijn gedichten, geen aanwijzingen over de identiteit van z’n Beatrice. Boccaccio echter meent in haar Bice Portinari te herkennen, dochter van een rijke handelaar. Maar wellicht is Beatrice alleen Dante’s eigen poëtische schepping. Anders was het gesteld met Petrarca’s geliefde Laure de Noves, die hij volgens eigen zeggen op Goede Vrijdag 1327 voor het eerst zag in de Saint-Claire kerk van Avignon. Zij was toen reeds twee jaar gehuwd met Hugo II de Sade, waarschijnlijk een van de voorvaderen van de beroemd-beruchte markies. Al is het nog altijd de vraag of zij ook werkelijk de Laura van de Canzoniere was. Volgens sommige interpretaties kan de naam ook afgeleid zijn van de lauwerenkrans van Petrarca, de poeta laureatus. Van Fiammetta heeft Boccaccio waarschijnlijk alleen de naam zelf verzonnen, want zijn ideale geliefde was in werkelijkheid de adelijke Napoletaanse Maria d’Aquino.

Karl Mickel (1935 – 2000) en Rainer Kirsch (geb. 1934) werden in of nabij Dresden (ook wel Elbflorenz genoemd) geboren. Ze bestudeerden de grote Italiaanse dichters van de renaissance, wier gedichten zij vertaalden. Beiden schreven zelf ook gedichten naar strenge, maar soms ook vrijelijk geinterpreteerde sonnetregels . De beide schrijvers van de Saksische Dichtersschool hadden een grote affiniteit met die van de “Florentijnse“. Alleen gingen ze in hun werk wat openhartiger om met hun liefdes en affaires. De gedichten Sonnet (Kirsch) en Tegensonnet (Mickel) getuigen daarvan, maar dat zijn lang niet de enige voorbeelden. Hun beider geliefde was Sarah Kirsch (1935 – 2013), maar die werd een stuk minder platonisch beschreven dan bij hun Toskaanse geestverwanten gebruikelijk. Ze was niet alleen de echtgenote van Rainer Kirsch, maar ook de moeder van een van Mickel’s kinderen. Ook aan hun Italiaanse voorbeelden hebben Mickel en Kirsch veelvuldig gerefereerd. Karl Mickel titelde zijn poëziebundel Vita nova mea (1966) naar Dante’s autobiografische Vita nova (1295) en beleerde met Dante in de hand de collega-dichter Wulf Kirsten (Inferno XXXIV. Voor Kirsten). Kirsch vertaalde, verwerkte en schreef ook zelf sonnetten naar het voorbeeld van Petrarca, zoals Naar Petrarca’s maat. Of ook de reeks Petrarca heeft kaasjeskruid in de tuin en zwijgt over de raadselen der wereld (2002).

*

Duits tongentheater

Karla Woisnitza_ZUNGE

Jacques Schmitz
Rainer Kirsch
Adolf Endler
Karl Mickel
Heinz Czechowski

Karla Woinsnitza, Die Zunge, Blatt 7 aus “Sieben Radierungen mit der kalten Nadel“, 1986, Kaltnadelradierung und Alugraphie auf Bütten, Auflagenhöhe 8, 43x40cm, gedruckt in Streupresse, Berlin, Foto: Jochen Wermann, Berlin. © Karla Woisnitza/VG Bild-Kunst Bonn,
http://www.bild-kunst.de.

Een gedicht en vijf vertalingen van Jacques Schmitz
Berlijn 2013

**

DE KIN
(voor Rainer Kirsch)

De tanden, schrijft een kollega
in de tong. Maar binnensmonds
monkelt nog liefde

Wat rozig was en zacht
van happig vlees, te wachten lag
op likken

De mond vol
ongehoorde dingen
niet in te slikken

Verbeten boodschap

(Met de kin getikt)

Jacques Schmitz, “Liefst een melkglazen spiegel”, Open Atelier het Klooster, Nijmegen,1989

*

DE TONG
(voor Christa Wolf)

God schiep het varken, schrijft een kollega, dat
Leefde gevaarlijk, omdat het rozig was
En zacht van vlees, zodat iedereen het at
Tot het wratten kreeg, eelt, stekels
En, zo gemuteerd, van louter harnas niet
Meer lopen kon, hyena’s vraten de rest. Zeggen
Wil mijn kollega: Weerloos is de mens
Dus vindingrijk, bedrijvig, heeft liefde nodig
Zijn naaste zelfs, maar weerloos
Zijn maakt moe, moezijn vraagt om veiligheid
Die orde verlangt, orde schept chaos
Die straffere orde oproept, ingemetseld
Zijn wij veilig en dood. Waarom zegt hij dat niet?
De tanden in de tong. Spreken, ach hoe.

Januar 1979

Rainer Kirsch, “Ausflug machen”, VEB Hinstorff Verlag Rostock, 1980

*

DUITS POPPENTHEATER

Legt z’n jasje af voor hij z’n mond opentrekt
Zodat je de hand kan zien, die hij op het hart drukt
Zodra hij tiert of dreigt, je kent dat wel
De tong spartelt, tot er schuim op de mond staat
Meneer Goliath de Harlekijn als voordanser

1966

Karl Mickel, “Odysseus in Ithaka”, Verlag Philipp Reclam jun., Leipzig 1976

*

DE AFGESNEDEN TONG

Daar mijn tong – ik geradbraakt aan ’t wiel
Opgeknoopt – die je weer uit de hand glipt,
Dit trillend flapje dat zalmrood aanloopt.
Als was de hand een mond, die zich snoert!

(Hand, die slechts wurgen kan, stilzwijgen doet.)

O zij en mij met het mes te snijden!
Een zege? – Ik zegevier zonder strijdgezang:
Hoor, als mijn stem, jouw brandend wapenarsenaal.
Iets kwam er, likkend, door de straat gesprongen.

Zo’n puntig vlammetje of saignant gelach…

1965

Adolf Endler, “Verwirrte klare Botschaften”, Rowohlt, Reinbeck bei Hamburg, 1979

*

RICHARD III

Van moord tot moord de weg naar boven, boven
Staat niemand in de weg, men is het zelf
En moet naar onder moorden, elke dolk
Is omkeerbaar en moet met zeven dolken
In toom gehouden, opdat hij toch niet omgekeerd
En zeven dolken verlangen negenenveertig
De dolk van de dolk z’n dolk, en tongen zijn
Omdat ze dolken richting geven, dolken
Het zicht van de top is de blik in de afgrond
En alle dode tongen, denkt men, spreken

Juni 1977

Rainer Kirsch, “Ausflug machen”, VEB Hinstorff Verlag Rostock, 1980

*

WAT MIJ BETREFT

Bevoegd als voogd
En toch
Altoos opgevoed door mijn voogden

Met losse tong
Mondig geworden
En toch
Steevast gemaand mijn mond te houden,

Tol ik
Nog altijd rondjes.

Zo op mezelf terug
Geworpen, in goed en kwaad,
Deel ik mee:

Wat mij betreft,
Ben ik zo ik.

De tong van de slang is
Geslepener dan de mijne,
De huid van de kameleon
Volmaakter aangepast aan
Elk gegeven heersend heden.

Mijn karaktertrekken, geef ik toe,
Zijn daarmee vergeleken gering: maar
Dat ik niet kruipen kan
En van kleur verschieten

Naar believen,
Is ook een gratie, waarvoor ik

Niemand anders hoef te danken,
Dan mijzelf.

Heinz Czechowski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig, 1981.

***