Oceaanbodem

Vandaag 52 jaar geleden overleed de Amerikaanse dichter Jack Spicer in het ziekenhuis van San Francisco. Veertig jaar jong, maar een wrak. Een dronken schip gestrand. Pakweg drie weken eerder was de homo-dichter in de lift van zijn flat in elkaar gezakt. In het General Hospital lag hij meestal in coma, maar kwam af en toe bij en communiceerde, zij het kort en moeizaam. Zijn laatste woorden tegen vriend en mede-dichter van de Berkeley Renaissance, Robin Blaser: “My vocabulary did this to me…“. Zijn woordenschat, zijn taal, zijn gedichten konden hem niet redden. Dichten, zei hij tijdens een lezing in Vancouver, een paar maanden voor zijn dood, doe je niet voor je lol.

Oceaanbodem

 (Ivre mort, wrecked bateau)

 

Strandt daar de dronken

lift, komt hier ladder

zat niet meer te boven

 

Verroeste schoeners, onbemande

boten aan de grond

gelopen, verzopen

 

Nergens meer – noch Wreck

Beach – binnengelopen, zo

strandt het lave-

 

Laveerloos, have-

havenloos/

 

Kort voor Vancouver roept

de oceaanbodem, zendt slechts

ruis in de mist

 

Het scheepswrak zwaait

– wuivend zeewier –

uit/

 

(Dit is het einde van het gedicht)

*

De foto is de achterflap van DE OCEAAN, een verloren book van Jack Spicer, gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz. De verzameling Spicer-gedichten, bewerkingen, pastiches, chats en een nieuw voorwoord van Spicer verschijnt binnenkort als e-book. Omslag en binnenwerk zijn een ontwerp van Maarten Schmitz.

Advertenties

Fußnote bei Ding Sprache (dts/nl)

(Voetnoot ook in het Nederlands, onderaan)

Ding Sprache ist das erste Gedicht von Spicers Language-Buch; das book erschien in juni 1965, zwei Monate bevor Jack Spicer im Krankenhaus von San Francisco starb. Es war sein letzter Kampf mit Sprache und Wirklichkeit, mit dem Wort und dem Ding. Bekannt und trotzdem öfters übersetzt, auch weil es sich als programmatisches Gedicht lesen läßt.

In Juli 2017 publizierte Signaturen-Magazin zwei Übersetzungen in Deutscher Sprache. Beide, unterschiedliche, Nachdichtungen stammen aus De Oceaan, Jack Spicers ‘verlorenes book‘, gefunden von Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz (erscheint im Sommer 2017 als niederländisches e-book).  Signaturen hatte in Mai 2017 schon eine Übersetzung, Gegenstand Sprache, von Norbert Lange. Pim Lukkenaer bewerte in einer vergleichenden Liste der drei Übersetzungen.

Ding taal is het openingsvers van Spicers Language-boek, de bundel die in juni 1965 bij de White Rabbit Press in Californië verscheen; de laatste publicatie van een Spicer-book bij leven. Het gedicht is een van de bekendste en vaak geciteerde verzen van Jack Spicer omdat het zich ook als een programmatisch gedicht laat lezen. Thing language is daarom vaak vertaald. Nu ook door de ‘vertalers’ van De Oceaan.

In juli 2017 publiceerde het Signaturen-Magazin, het digitale “platform voor autonome poëzie”, beide Nederlandse versies in een Duitse vertaling nadat het ‘blad’ al in mei van dat jaar Gegenstand Sprache, een vertaling van Norbert Lange, had gepubliceerd. Pim Lukkenaer maakte een vergelijkend lijstje van de drie vertalingen en zijn voorkeuren.

*

Voetnoten bij Song voor Bird en mezelf

Voetnoot in de Nederlandse uitgave van Jack Spicer “De Oceaan”

bij de Duitse vertaling in Signaturen-Magazin

 

Birdland, Bird en Parker

Al in een vroeg stadium waren birds, dus vogels, voor Spicer c.s. ook altijd dichters. Zeker toen Jack in 1946 aan de Berkeley universiteit Robert Duncan en Robin Blaser leerde kennen. Op een presenteerblaadje door Blasers voornaam aangedragen: Roodborstje. Ook een decennium later nog.

De New York- en Boston-tijd, van 1955 tot ’56. De ongelukkige en ontwortelde Spicer schreef in die korte periode nog zijn one-night-stands over zijn affiniteit met muziek, vooral jazz en folk, zijn homoseksuele verlangens en zijn heimwee naar het vertrouwde Californië. Birdland, California is zo’n gedicht, geschreven voor de toen 25-jarige en pas getrouwde hetero Joe Dunn (de oprichter van de White Rabbit Press waar in 1957 After Lorca en de andere boeken van Jack Spicer verschenen). Spicer leerde Dunn in Boston kennen en werd meteen verliefd. En schreef dit gedicht over Orpheus o.a.: ...he had the weight of Eurydice upon his back / He tried to carry her / Up that imaginary stairway.

Maar Birdland is voor Spicer en zijn entourage ook de beroemde jazzclub in Manhattan vernoemd naar Charlie “Bird” Parker (in 1955 gestorven). Waarschijnlijk bezocht Spicer de club meer dan eens tijdens zijn korte verblijf in New York City voor hij (na een paar ongelukkige maanden) naar Boston verhuisde waar hij via Robin Blaser voor een klein jaar een baantje kreeg op de Afdeling voor Zeldzame Werken van de Openbare Bibliotheek van Boston.

In z’n Boston-tijd experimenteerde Spicer met verschuivingen, phraseologie en accidenties. Een phrase is een term die zowel in de muziektheorie als ook in de linguistiek wordt gebruikt voor een bepaald deel of passage in een muziekstuk of een tekst. In de muziektheorie is een ‘accidentie‘ het verlagen of verhogen van een toon met een halve stap. In dat verband zegt Spicer in zijn derde Vancouver Lecture dat dichters moeten leren ‘vals’ (off key) te zingen, zoals Billie Holiday (later kon ze vaak niet anders) en saxofonist Charlie Parker dat bewust deden.

Zo verschuift de linguist Spicer zulke zinnen en versregels ook naar de muziek van Charlie Parker, die o.a. beroemd was voor zijn dissonanten en ritmische verschuivingen. Het ‘vals’ zingen en de verschuivingen zijn in die tijd bij Spicer ook poëtische experimenten met o.a. verschillen in de lengte van de versregels, veranderingen in de aangeslagen toonhoogte (hier z’n driftige Publikumsbeschimpfung), woordspelingen, verschillende soorten taal (songs, spreektaal, proza, brieven). Bij uitstek toegepast in het gedicht “Song for Bird and Myself”.

*

uit Jack SpicerDe Oceaan“, een verloren book gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz. Binnenkort verkrijgbaar als e-boek.

Autoradio aan

(Gedicteerd)

Samen op weg, waarheen? (Route 66) Misschien,
westwaarts waar (California Girls) oude
mannen altijd aan denken, ja J.
rijdt,
hoewel
hij daar niet voor geleerd heeft.

P. wel,
die leest
de linguistische kaart van de
Pacific Coast en zit
telkens met zijn fikken
aan de knoppen
van de autoradio.

WTF (Who) is toch die Orphée die daartussen door toetert en hits zingt uit oude doos,                 die Eurydike? Waar komen zijn songs toch vandaan? Hell, hörig. Wie dicteert, er
verdomme, wie? Te veel surf-muziek, misschien. Te veel Beat, te weinig Kontra-
punkte?

Oh Jee! Zendt mij toch
maar meisjes-
metaforen, zo’n doos
van rood satijn en lila
strik, Pandora, rond om
iets of iemand op
te hangen.

Op weg naar now/here.

“Het is 23:55 uur.
Gute Nacht, Freunde.
Zo meteen slecht nieuws.”

*

uit: Jack Spicer, De Oceaan – een verloren ‘book’ gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz.

Five ‘o clock tea

eucalyptus_gigantea_from_-a_critical_revision_of_the_genus_eucalyptus-_1903_20088927024

 

 

 

 

 

 

 

(voor Dörtea)

Ben ik soms je Tom, je tinnen
soldaatje, door boze blikken
betoverde ridder?

Ben jij dan dat wonder
landwijffie, mijn heil
drankje, Dorothee?

Oh, bevrij me dan (van dat
gesnotter elke morgen mijn
voorhoofdsholtesop)

Maar daar snatert alweer, de heks
krijst haar verbolgen formules in
mijn voor-, jouw achterhoofd

Perst toch die geoliede, ver
drijft, weg haar kwaad
aardige geest, verzing ‘t!

Ontsteekt liever die heks,
brandt haar chai, stapelt haar
giftige blaadjes, blades

Zet die heks, zo kokend,
op water en brood, dood’
lijk drankje, gifgruis

Verkruimeld wolkje, griezel
elementen, met een koekje
eigen deeg, eu kalyptos!

Oh, doodt die heks, haar weer
zinnig gekwebbel: Páááulus!
Hááádes & Gríííetjes!

Verdekt, verkapt, bos
wicht, gevaar: and she
goes: gumnuts!!!

Hij neusdruppelt intussen,
op haar schaakbord, de ivoren
loperkoning, geschrapt mat

Allerhoogste tea
time, dames! Het violet
moment, the typist home

for thee! Ik speel dan wild
de houten Tom, je timmer
ende ridder!

(Nou jij weer,
Viv!)

*

illustratie – Eucalyptus gigantea. Uit: A critical revision of the genus Eucalyptus (1903), H. J. Maiden (1859-1925).

five ‘o clock tea – het Britse thee-ritueel aan het eind van de middag. Ook in T. S. Eliots The Waste Land: At the violet hour, the evening hour that strives / Homeward, and brings the sailor home from sea, / The typist home at teatime… (220-222). Het purperen uur, de schemering, op weg naar de nacht.

Tom – is hier zowel de tinnen man uit The Wonderful Wizard of Oz (1900) van L. Frank Baum (1856-1919), als ook de Amerikaans-Britse dichter Thomas Stearns Eliot (1888-1965). De Tin Woodsman is de houthakker die door een heks betoverd werd en als blikken man door het leven moet. Hij sluit zich aan bij Dorothy, de heldin van de Tovenaar van Oz, die jacht maakt op de heks. De blikken houthakker hoopt zijn menselijke gevoelens weer terug te vinden, zodra Dorothy de heks heeft doen smelten.

Wizard of Oz – was hét kinderboek uit de jongensjaren van de Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965), zijn moeder las haar zoons altijd uit de Oz-serie voor. In Spicer’s serial poem The Holy Grail treedt ook de blikken man op: Als er niemand met mij strijdt, zal ik dit harnas moeten dragen / Mijn hele leven lang. Ik lijk zo wel de blikken man uit de boeken van Oz / Onherkenbaar, verroest. / Ik, Sir, ben een ridder. Confuus. Uit het Boek Parzival van de Heilige Graal, Jack Spicer’s poëtische commentaren op de legendarische vertellingen rond Koning Arthur en diens Tafelronde.

Eliot en Spicer – de twee dichters horen tot mijn Holy-Grail-Connection, zoals ik het esoterisch angehauchte verbond van deze Iers-Brits-Amerikaanse dichters noem: o.a. W. B. Yeats, Ezra Pound, T. S. Eliot en Jack Spicer. Ook Eliot’s Waste Land heeft connecties met de Arthur-legende. Hij baseert zijn lange gedicht op de Fisher King, die de laatste bezitter van de Graal was. Daar de Visserkoning ziek is en impotent, verliest ook zijn land z’n vruchtbaarheid, het waste land. Volgens de mediëvaliste Jessie L. Weston zijn de legende van de Fisherking en de oude religieuze vruchtbaarheidsrituelen het oorspronkelijke thema van de Graal-legende. Eliot bedankt zich in zijn Noten bij The Waste Land nadrukkelijk bij Weston voor de inzichten in haar studie naar de oorsprong van de Graalverhalen.

eu kalyptos – is de Griekse benaming van de eucalyptusboom-soorten en betekent zoveel als “goed verborgen”. Eu voor goed en kalypto voor verbergen, zo geheten omdat eucalyptus tot de ‘bedektzadigen’ hoort. Door de etherische olieën wordt het extract van eucalyptusbladeren als geneesmiddel gebruikt, met name bij aandoeningen van de luchtwegen, zoals chronische voorhoofdsholte-ontsteking. In het reisboek Little journeys abroad (1895) van Mary Bowers Warren wordt al in de 19e eeuw de link gelegd naar het genezen van malaria. Ze beschrijft hoe in Noord-Afrika toen van eucalyptusbladeren thee werd gemaakt voor malaria-patiënten en beveelt ook gezondmakende kruidenzakjes aan van gedroogde sinaasappel-bloesem en eucalyptusblaadjes. Maar dat eucalyptusthee malaria kan genezen, is wel zeer onwaarschijnlijk. Wel gedijen eucalyptus- of ook wel gombomen bijzonder goed in waterige omgevingen, waar met name ook malariamuggen welig tieren. Zulke moerasachtige gebieden werden daarom vaak drooggelegd, als preventie tegen malaria. Maar dat is de enige serieus te nemen link naar malariabestrijding.

Eucalypta – was de boze heks uit de stripboeken, de radio-serie, de boeken en de tv-serie rond Paulus de Boskabouter van de Nederlandse verteller-schrijver-tekenaar Jean Dulieu, het pseudoniem van concertviolist Jan van Oort. Dulieu publiceerde zijn eerste stripverhaal over Paulus in mijn geboortejaar 1946 in het sociaal-democratische dagblad Het Vrije Volk. Wat boze heksen betreft, was de Páááulus-krijsende Eucalypta mijn vormende kindervaring.

She goes: gumnuts! – gumnuts zijn de noten/zaden van de eucalyptusboom, ook wel gumtree genoemd van wege zijn gom-achtige hars. In dit geval wordt de aangesproken persoon, zeg maar, gom-gek!

de ivoren loperkoning – ook hier de link naar de Arthur-legende. Walewein, een van de ridders van de Tafelronde, speelt een potje schaak met een onbekende tegenspeler of misschien wel een mechanisch schaakbord. Het geheimzinnige schaakspel komt zowel bij Jack Spicer als ook bij T. S. Eliot terug. Spicer in The Holy Grail: In een soort toren speelde een soort ridder schaak met een onzichtbare schaakspeler / Een maagd, natuurlijk. Eliot wijdt het tweede gedicht A Game of Chess van de Waste Land aan een schaakspel met zijn niet met naam genoemde geliefde: En we spelen dan een partij schaak, / lidloze ogen drukkend en wachtend op een klop op de deur.

De geliefde was vast Vivienne Haigh-Wood, Eliot’s eerste echtgenote. Het echtpaar was getrouwd in 1915, maar van tafel en bed gescheiden in 1933. Formeel bleef Eliot met Vivienne gehuwd tot zij in 1947 overleed in een psychiatrische inrichting waar ze door haar broer in 1938 was ondergebracht, c.q. geloosd werd. Het huwelijk tussen Thomas en Vivienne was niet bijzonder goed. Vivienne had veel lichamelijke en geestelijke klachten. In een notitie schrijft Eliot later: “I came to persuade myself that I was in love with Vivienne simply because I wanted to burn my boats and commit myself to staying in England. And she persuaded herself (also under the influence of [Ezra] Pound) that she would save the poet by keeping him in England. To her, the marriage brought no happiness. To me, it brought the state of mind out of which came The Waste Land.” (The Letters of T. S. Eliot, Volume 1, 1898–1922. London: Faber and Faber. 1988. p. xvii).

De originele tekst van The Waste Land werd met name door de Amerikaanse dichter Ezra Pound voor publicatie drastisch ingekort. Ook Vivienne Eliot schrapte in de tekst, mogelijk ook gedreven door eigen gevoeligheden. Onder haar druk verwijderde Eliot bijv. een regel over ivory men, ivoren schaakstukken, die oorspronkelijk tussen de twee hier boven geciteerde regels stond. Dat was Vivienne blijkbaar te intiem. En om welke koning het dan uiteindelijk ging? De Fisher King, Arthur, Thomas Stearns of een naamloze, ivoren ridder? De loopjongen van de vruchteloos lijdende Lady Vivienne?

violet moment – het purperen uur, klokslag vijf, wanneer de zeeman, de visser huiswaarts keert, de typist op tijd voor teatime. De violette schemering is in dit deel van het Waste Land ook de vooravond van de dood. De Fisherking moet eerst sterven voor zijn wederopstanding en de vruchtbaarheid van de Visserkoning en zijn “barre land” terugkeert.

Viv! – de Britse auteur Michael Hastings (1938-2011) schreef een toneelstuk, Tom & Viv, over de moeizame relatie van Thomas Stearns Eliot en Vivienne Haigh-Wood Eliot. In 1994 werd het drama verfilmd door regisseur Brian Gilbert, maar dat werd niet echt een succes.

*

Zing ding

Ganimede_-_Tempesta,_Antonio_(1555-1630)_-_In_aquilam_transformatus_Iupiter_Ganymedem_rapit

Bezing de maan,
de sterren, stel
sells, onder koele

zwoele sky, wat
is dat dat zo
knelt, de slim

fit tailleband, de
broeks- op m’n heupen
pijpen, Jack –

Mundschenk aan de Spree
Schiffbauerdamm mmm –
spicy

heeft hij de smaak, en wat al niet
te pakken, bekent Ganymedes, de schapen
knaap, van binnen

en van buiten, likt,
smikkelt, snoept deze
hemelse Glückskeks

een oceaan spoelt
aan, branding
brengt

taal der goden
en gewonen wonder
mond full

tongen, thing
language, mijn
ding, swing dan

Steely, dan

verstijft

[Zeus: “Stik!” verslikt
zich in ’t zicht des
jongeling, wordt zelf een
volgeling: “Z’n ding!”]

*

Jack en spicy – doet niet toevallig denken aan de Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965), auteur van ondermeer The Holy Grail, een gedichtenreeks (serial poem) gebaseerd op de verhalen over koning Arthur en de ridders van de Tafelronde. Spicer maakte in de jaren ’50 van de vorige eeuw deel uit van de zgn. San Francisco Renaissance. Aan de Berkeley Universiteit presenteerde hij zich met zijn mededichters zelf liever als de Berkeley Renaissance. De vrienden (Jack Spicer, Robert Duncan en Robin Blaser) waren alle drie homo en maakten daar tegenover hun studenten geen geheim van. Ze hielden zich intensief bezig met Rimbaud, Lorca en andere gay poets. Spicer begon in 1956 aan zijn boek After Lorca, over de Spaanse dichter. Het zou een breuk worden met zijn vroegere werk. Jack Spicer wilde vanaf die tijd geen ‘losse’ gedichten meer maken, die hij one night stands noemde, en begon zijn serial poems te schrijven. Ook begon Spicer in die tijd te werken aan zijn gedicteerde poëzie, een schrijfmethode waarbij de dichter zijn regels van buiten ‘ontvangt’, gedicteerd krijgt en opschrijft.

Mundschenk – aan het hof der Griekse goden maakte Zeus de jonge Ganymedes tot wijnschenker. Dat beweert in ieder geval Ovidius in zijn Metamorphoses, maar dan toegesneden op Zeus’ plaatsvervanger Jupiter. In het Duits wordt die eervolle job onder goden Mundschenk genoemd, wat de homo-erotische mythe nog een extra fellatieve touch verleent. (Zie het citaat van Ovidius onder de Zeus-notitie hieronder)

Aan de Spree – direct om de hoek bij het beroemde Brecht-theater aan de Berlijnse Schiffbauerdamm, het Berliner Ensemble, was in Brechts tijd en is nog steeds het restaurant Ganymed gevestigd. De naam verwijst naar Ganymedes’ functie als Mundschenk aan het hof der goden en werd in de loop der tijden gebruikt voor slaven, bediendes en kelners.

Ganymedes – de Griekse herdersjongen waar Zeus – en volgens de latere legende ook zijn Romeinse plaatsvervanger Jupiter – zwaar verliefd op werd. In de Latijnse mythologie heet de jongeling Catamitus, waar het woord catamiet (schandknaap) van afgeleid is. De Griekse dichter Homerus noemde hem ‘de schoonste aller stervelingen‘. De oppergod Zeus (en later dus ook Jupiter) veranderde zich in een adelaar en ontvoerde de knaap zo naar de Olympus.

Mond full – combineert de Nederlandse, Duitse en Engelse woorden mond, maan en vol. Een mond vol, een volle maan – wonderful!

Thing language – is een van Spicers ‘one night stands’, een gedicht over de oceaan en de poëzie, die beide niks te melden hebben en slechts dingen an sich zijn, met als wederkerende regel: Niemand luistert naar gedichten.

Steely Dan – de Amerikaanse band van Walter Becker en Donald Fagen, die in 1972 werd opgericht in Los Angeles, de geboortestad van Jack Spicer overigens. Becker en Fagen schreven interessante en intellectuele teksten op zeer swingende muziek, een mix van jazz, rock, funk, r&b en pop. De naam van de band komt uit Naked Lunch, de roman van William S. Burroughs, waar zo een stalen dildo wordt aangeduid. Als Stalen Daan, zeg maar.

Zeus de Griekse god (ook hier als commentator van de chaotische levenswijze van zijn opvolger Jupiter) ziet tot z’n schrik hoe de Romeinse collega in ‘geleend’ gevederte de ‘ilische telg’ (uit de Ilias van Homerus) ontvoert, die nog altijd de bekers vult en nectar brengt aan Jupiter: Ohne Verzug durchschießend die Luft mit erborgtem Gefieder / Raubt er den ilischen Spross, der jetzt noch immer die Becher / Mischt und Nektar reichet dem Iupiter, Iuno zum Trotze. (Zo schrijft Ovidius in Metamorphoses, boek X). Dat alles tegen de zin van Juno, Jupiters zus en echtgenote. Net zo geschokt als Zeus, maar niet verliefd op de schapenknaap, want Juno blijft trouw aan haar echtgenoot en zo ook aan haar rol als godin van het huwelijk.

Tijd, getijden, gelijktijdigheid

jack spicer

Meteen nadat ik mijn vertalinkje en een stukje over de Amerikaanse dichter Jack Spicer, de Brexit en de gelijktijdigheid der tijden had gepost (j.l. zaterdag), vond ik tot mijn grote vreugde Mütze # 12 & 13 in de brievenbus. Bestaat er nog wel zoiets als toeval of is toch echt alles met alles vervlochten?

In beide nummers de eerste van de vier Vancouver Lectures (in tweeën geknipt) die Spicer daar in juni 1965 heeft gehouden (in de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger). In de voordracht en aansluitende discussie met publiek behandelt Spicers ideeën over poetic dictation, over het poëtisch dictaat en de dichter als medium, als radiotoestel dat gedachten en gedichten uit de ether oppikt en doorgeeft. Spicer geeft als speelse uitleg ook wel marsmannetjes de schuld, die de kamer en de keuken van de dichter binnendringen, het meubilair verschuiven en hem de gedichten dicteren. De dichter is eigenlijk niet veel meer dan een kosmisch doorgeefluik, zeg maar.

Maar toch, Spicers door en door geconstrueerde poëzie maakt nu helemáál niet de indruk dat ze hem zomaar is aangewaaid of aangedragen werd door geesten of goden. Maar toch houdt de dichter onwrikbaar vast aan zijn ietwat absurde idee dat zijn beste verzen werden voorgezegd. Voor Jack Spicer is gedichten schrijven geen, zegt ie, lyrisch ambacht. Zijn handwerk bestaat hoogstens uit het geschikt rangschikken van de gedicteerde tekstdelen. Alsof de gedegen kennis, de vele bijelkaar gelezen bibliotheken en de poëtische praktijk niet zouden rond dwarrelen in Spicers geest en hij het dus zelf is die de stemmen uit de ether imiteert.

Spicers idee van poetic dictation is zijn metafoor voor het gecompliceerde, onoverzichtelijke en ook ondoorzichtige, deels intuitief gestuurd schrijfproces. De dichter vraagt zich af hoe hij op ideeën komt, of beter gezegd, hoe hij ze aangereikt krijgt. Dat idee zelf heeft Spicer van de Ierse dichter William Butler Yeats (1865-1939), in 1923 winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Yeats en zijn vrouw waren nogal van occulte en spiritistische inslag en in de trein van San Bardino naar Los Angeles raakte de echtgenote (G. Hyde Lees) in trance. De Ierse dichter vroeg de geesten die van het medium Georgie bezit hadden genomen, wat ze eigenlijk in de Southern Pacific trein te zoeken hadden. Waarop de geesten antwoorden: “We zijn hier om jou metaforen voor je dichtkunst te bezorgen.” Ja, er valt bij Jack Spicer ook over zeer ernstige zaken altijd wel wat te lachen!

In mijn stukje/geintje van zaterdag citeerde ik ook Spicer over de gelijktijdigheid der tijden: “Toekomsttijd,” zei de gouden kop, / “Hedentijd. Verledentijd.” Aan het eind van zijn serial poem, de gedichtenreeks “De Heilige Graal”, in het zevende, laatste Boek over Arthurs Dood, schrijft Spicer over het gegons in het hoofd van de stervende Arthur, de “king and future king”, die zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Ondanks al dat eindeloos gelul en die genante muziek hoort de dichter toch nog iets uit de ether: “Een gegons in het hoofd van de prins. Iets in godentaal.”

Soms komt er nog iets door. Zou het dan toevallig zijn, dat ik nog geen dag later (op zondagmorgen, 5:30 uur) aan het eind van Jack Spicers eerste Vancouver voordracht (gehouden nota bene op 13 juni 1965, de honderdste geboortedag van Yeats) het volgende lees? “Op den duur lopen verleden, heden en toekomst weer uit op de oorspronkelijke meubilering van de kamer van de dichter. Dat iets in het gedicht pas morgen gebeurt, maakt iets niet geheimzinniger dan wat vandaag in het gedicht staat en gisteren is gebeurd. Toekomst, verleden en heden zijn in velerlei opzichten met elkaar vervlochten.”

Zo stapelt Jack Spicer zijn ingefluisterde gedichten tot een poëtisch vlechtwerk. Daarin kan in elke geschiedenis alles met alles samenhangen en gelijktijdig gebeuren. Ook die notie heeft Jack Spicer niet van een vreemde. In zijn Vancouver toespraak verwijst hij naar Ezra Pound, die overigens ooit ook secretaris van William Butler Yeats was. “Pound gebruikt geschiedenis op een extreme manier: Niet als geschiedenis zoals we die in onze discussie hier te horen kregen, maar als geschiedenis in de zin dat alles met alles samenhangt.”

De eindeloze zoektocht naar de graal. De Moorsoldaten. De ene Tony en de andere. Clyde, de geile pad. Feeën, sprookjes. De dwaasdoder. Baseball. De mariniers van Tarawa. Het leven, kortom alles, trekt voorbij, geschiedenis. Ze bezorgt de koning geruis in het hoofd en laat de ridderhelmen op hol slaan.Branding. Een queeste vol rollende koppen, aanrollende golven. Als tekens uit een kosmische oceaan. In het tweede vers van het Boek Lancelot gaat dat zo:

Wandel langs het strand en luister samen naar het geruis van de oceaan.
De mariniers van Tarawa, Java, brandende olie op de hielen
Crawlen dat hun leven hen lief is.
Zeg jij en hij ook en zinloos zegt de kuststrook
Graal ter hoogte van boei 029.
In het slijk van dat ding-muziek
Golven branden langs het strand, als wilden ze mens’lijk zijn
De matrozen brullen.
Wandelend langs het strand, verliefd of niet, horen ze het gegons
Van de oceaan.

Jack Spicer is een strandjutter die de gaven van de oceaan verzamelt. En wat daar allemaal niet in de branding aan komt rollen! Dat is geen zoetgevooisd pretje. Er mag gelachen worden, maar het is een ernstige bisnis. Ergens, in een van de vier Vancouver Lectures zegt Jack Spicer dat poëzie niet voor de lol is: “Poetry isn’t for pleasure” (geciteerd door Stefan Ripplinger in zijn Gralsspiel). Zo moest de Tarawa-landing in november 1943 wel opduiken tijdens een strandwandeling. Dus moesten de Amerikaanse mariniers en matrozen, onder hevig vuur van de Japanners, in een brandende oceaan voor hun leven zwemmen bij de landing op het Tarawa atol.

Wat daarvan overblijft, is geruis en gegons, het gebrul van de branding, die “ding” muziek. Geluid zonder verdere betekenis, zonder mededeling, een leeg ding. In die zin is zelfs de Graal maar een ding op zich, een leeg midden, een vacuüm. En zoals de ding-muziek van de oceaan is voor Jack Spicer ook taal een ding, poëzie op zich, gedichten waar niemand naar luistert.

Dat ding taal

Deze oceaan, vernedert nog het meest
Met z’n maskerade.
Niemand luistert naar gedichten. De oceaan
Is niet om naar te luisteren. Een druppel
Water of een plens. Het betekent
Niets.
Het
Is broodwinning, doorsneetje
Peper en zout. De dood
Waar jongemannen naar verlangen. Doelloos
Beukt het op de kust. Witte zinloze signalen. Niemand
Luistert naar gedichten.

Jack Spicer

 

Ook Mütze # 12 & 13 zijn los verkrijgbaar voor € 6,- het stuk en als abonnement  voor € 30,- (5 stuks, naar buitenland, incl. porto) . Mijn vertaling van het 2e vers uit Het Boek Lancelot baseert op het origineel van Jack Spicer en de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger, beide in Mütze # 11. Spicers origineel van mijn vertaling, Thing Language, is te vinden bij Poemhunter.

Jack Spicer & Brexit

800px-Arthur-Pyle_The_Enchanter_Merlin

“Heimat du bist wieder mein”
Heimat. Heimat ohne Ferne.
Je wordt aan de telefoon geroepen.
Je wordt aan de telefoon geroepen om te voorspellen wat er met Brittannië gaat gebeuren. De grote zilveren torens die het je schonk. Waar je middenin gevangen zit
Je wordt gebeld om het exacte eiland te voorspellen vanwaar je ouders stammen
Pas op, is het een Graal of een Bom die het hart verscheurt van alle dingen?
Ik voorspel Brittannië zeven vruchteloze jaren als er niet toch nog iets gebeurt.

uit Het Boek Merlijn

 

Jack Spicer heeft dit gedicht natuurlijk niet over het recente Brexit-referendum geschreven. De in 1925 geboren Amerikaanse dichter is tenslotte al in 1965 overleden. Maar Spicer zelf was zozeer een poëtische gamer, dat mij m’n speelse link naar het Britse uittreden uit de Europese Unie wel gelegitimeerd lijkt.

Het hier vertaalde gedicht uit Spicers “De Heilige Graal” (van 1962) is afkomstig uit het Boek Merlijn over de beroemde tovenaar en Keltische druïde, die ook bekend staat als leraar van Arthur, de legendarische koning en leider van de Ridders van de Tafelronde. De tovenaar Merlijn beschikte natuurlijk ook over voorspellende gaven.

De Heilige Graal van Spicer “speelt” met de eindeloos vele varianten van de Arthur-legende en hij laat dan ook zeven van de bekendste figuren en hun zoektocht naar de Graal in een zevental gezangen, Boeken (elk bestaande uit zeven gedichten), optreden: Arthur, Walewein, Perzival, Lancelot, Guinevere, Merlijn en Galahad. Bij Spicer lopen de tijden – toekomst, heden en verleden – nogal speels door elkaar: “Time future,” the golden head said, / “Time present. Time past.”

De eerste regel van het laatste vers uit het Boek Merlijn is een citaat uit het KZ-lied “Die Moorsoldaten”. Dat lied werd geschreven door kantoorbediende Rudi Goguel (muziek), mijnwerker Johann Esser en toneelspeler Wolfgang Langhoff (tekst), zelf ook politieke gevangenen in het in 1933 door de nazi’s opgerichte concentratiekamp Börgermoor in het Noord-Duitse Emsland. De geciteerde regel is het slot van het laatste Moor-couplet: Doch für uns gibt es kein Klagen, / ewig kann’s nicht Winter sein. / Einmal werden froh wir sagen: / Heimat, du bist wieder mein. Jack Spicer geeft ook zijn tweede regel in het Duits, ook al is het geen citaat: Heimat. Heimat dichtbij – niet verweg, in de verte.

Mijn vertaling is gebaseerd op het Engelse origineel van Jack Spicer en de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger. Die laatste schreef ook een kort maar interessant essay over Spicer en de Heilige Graal, getiteld Ein Gralsspiel. De 49 Graalsgedichten van Jack Spicer (Engels/Duits) en het essay zijn verschenen in het literair tijdschrift Mütze # 11, uitgegeven door Urs Engeler. Bij hem is het tijdschrift los (€ 6,-) en als abonnement voor maar € 30,- (vijf nummers, incl. verzendkosten) te bestellen.