Plotsklaps!

In de mast nog fier gehesen
de driekleur : eerst groen, wit, groen –
dan: brand, aarde,
as: zo vlagt ‘t Park

Aan de rand van de verkoolde
binnenstad: de beestenbark
dobbert, onder
: bommen.

Noach’s drama, een kille
komedie op een
blije bühne:

Zoo!

Plotsklaps! staat daar grootvee
in ‘t decor: Giraffen, olifanten, ratten
opgedreven aan de Maas. Verdringen
zich, verdrinken

Drijven aan het eind
de dode dieren teder
mee naar:

Zee!

//

Plots valt het doek, dan

: Klappen!

*

Teder bewegen als dieren de bergen langs de stroom. Dit is een (de enig overgebleven) regel uit het Elbe-sonnet van de Oost-Duitse schrijver Heinz Czechowski (1935-2009). Inmiddels is het een beroemde dichtregel en collectief erfenis van de Saksische Dichtersschool, die de regel in verband bracht met de vernietigende bombardementen in februari 1945 op Czechowski’s geboortestad Dresden. Een historisch drama, zoals ook het onverwachte, plotsklapse bombardement op mijn geboortestad Rotterdam van mei 1940. Daarbij werd ook de diergaarde Blijdorp door de bommen getroffen en sloegen de wilde dieren op de vlucht naar de oevers van de Nieuwe Maas. Een dramatisch stuk, dat de geschiedenis schreef.

Jacques Schmitz

Advertenties

Duits tongentheater

Karla Woisnitza_ZUNGE

Jacques Schmitz
Rainer Kirsch
Adolf Endler
Karl Mickel
Heinz Czechowski

Karla Woinsnitza, Die Zunge, Blatt 7 aus “Sieben Radierungen mit der kalten Nadel“, 1986, Kaltnadelradierung und Alugraphie auf Bütten, Auflagenhöhe 8, 43x40cm, gedruckt in Streupresse, Berlin, Foto: Jochen Wermann, Berlin. © Karla Woisnitza/VG Bild-Kunst Bonn,
http://www.bild-kunst.de.

Een gedicht en vijf vertalingen van Jacques Schmitz
Berlijn 2013

**

DE KIN
(voor Rainer Kirsch)

De tanden, schrijft een kollega
in de tong. Maar binnensmonds
monkelt nog liefde

Wat rozig was en zacht
van happig vlees, te wachten lag
op likken

De mond vol
ongehoorde dingen
niet in te slikken

Verbeten boodschap

(Met de kin getikt)

Jacques Schmitz, “Liefst een melkglazen spiegel”, Open Atelier het Klooster, Nijmegen,1989

*

DE TONG
(voor Christa Wolf)

God schiep het varken, schrijft een kollega, dat
Leefde gevaarlijk, omdat het rozig was
En zacht van vlees, zodat iedereen het at
Tot het wratten kreeg, eelt, stekels
En, zo gemuteerd, van louter harnas niet
Meer lopen kon, hyena’s vraten de rest. Zeggen
Wil mijn kollega: Weerloos is de mens
Dus vindingrijk, bedrijvig, heeft liefde nodig
Zijn naaste zelfs, maar weerloos
Zijn maakt moe, moezijn vraagt om veiligheid
Die orde verlangt, orde schept chaos
Die straffere orde oproept, ingemetseld
Zijn wij veilig en dood. Waarom zegt hij dat niet?
De tanden in de tong. Spreken, ach hoe.

Januar 1979

Rainer Kirsch, “Ausflug machen”, VEB Hinstorff Verlag Rostock, 1980

*

DUITS POPPENTHEATER

Legt z’n jasje af voor hij z’n mond opentrekt
Zodat je de hand kan zien, die hij op het hart drukt
Zodra hij tiert of dreigt, je kent dat wel
De tong spartelt, tot er schuim op de mond staat
Meneer Goliath de Harlekijn als voordanser

1966

Karl Mickel, “Odysseus in Ithaka”, Verlag Philipp Reclam jun., Leipzig 1976

*

DE AFGESNEDEN TONG

Daar mijn tong – ik geradbraakt aan ’t wiel
Opgeknoopt – die je weer uit de hand glipt,
Dit trillend flapje dat zalmrood aanloopt.
Als was de hand een mond, die zich snoert!

(Hand, die slechts wurgen kan, stilzwijgen doet.)

O zij en mij met het mes te snijden!
Een zege? – Ik zegevier zonder strijdgezang:
Hoor, als mijn stem, jouw brandend wapenarsenaal.
Iets kwam er, likkend, door de straat gesprongen.

Zo’n puntig vlammetje of saignant gelach…

1965

Adolf Endler, “Verwirrte klare Botschaften”, Rowohlt, Reinbeck bei Hamburg, 1979

*

RICHARD III

Van moord tot moord de weg naar boven, boven
Staat niemand in de weg, men is het zelf
En moet naar onder moorden, elke dolk
Is omkeerbaar en moet met zeven dolken
In toom gehouden, opdat hij toch niet omgekeerd
En zeven dolken verlangen negenenveertig
De dolk van de dolk z’n dolk, en tongen zijn
Omdat ze dolken richting geven, dolken
Het zicht van de top is de blik in de afgrond
En alle dode tongen, denkt men, spreken

Juni 1977

Rainer Kirsch, “Ausflug machen”, VEB Hinstorff Verlag Rostock, 1980

*

WAT MIJ BETREFT

Bevoegd als voogd
En toch
Altoos opgevoed door mijn voogden

Met losse tong
Mondig geworden
En toch
Steevast gemaand mijn mond te houden,

Tol ik
Nog altijd rondjes.

Zo op mezelf terug
Geworpen, in goed en kwaad,
Deel ik mee:

Wat mij betreft,
Ben ik zo ik.

De tong van de slang is
Geslepener dan de mijne,
De huid van de kameleon
Volmaakter aangepast aan
Elk gegeven heersend heden.

Mijn karaktertrekken, geef ik toe,
Zijn daarmee vergeleken gering: maar
Dat ik niet kruipen kan
En van kleur verschieten

Naar believen,
Is ook een gratie, waarvoor ik

Niemand anders hoef te danken,
Dan mijzelf.

Heinz Czechowski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig, 1981.

***

Voor vrienden visgedichten

Jacques Schmitz
Heinz Czechowski
Rainer Kirsch

 

Een gedicht en vier vertalingen van Jacques Schmitz, Berlijn 2013

**

ACHTER DE ELBE
( voor Heinz Czechowski)

In de vergiftigde Elbe
schrijft de karperkenner, leven
nog vissen; eetbaar
na weken weken en dan nog
alleen voor de beesten

Achter de Elbe vervetten
in Schweinskoteletten
de dromen, beloofde dis
(karper, groen, citroen)
niet aangericht

De mens, het onbereikbare
opgegeven, leeft nog op

Vleesdieet en schrijft

Alleen

(Voor vrienden visgedichten)

Jacques Schmitz, “Liefst een melkglazen spiegel”, Open Atelier het Klooster, Nijmegen,1989

**

VOOR MIJN VRIENDEN, ZOMER 1975

Spectaculaire doorbraken
Lukken ons niet.

Eenmaal per boot over de Elbe,
Strehla achter de rug.

Korte seconden geluk,
In verzen gebonden.

Opgegeven,
Wat niet bereikbaar is.

Doelloos,
Maar niet zonder hoop

Heinz Czechowski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag Halle-Leipzig, 1981

Strehla im Rücken – Op bevel van Wehrmachtgeneraal Walther Wenck trok het 47ste Panzerkorps zich eind april 1945 terug uit het gebied rond Strehla. Aan de ene zijde van de Elbe waren de Amerikanen in aantocht, aan de andere de Russen. Om niet in Russische gevangenschap te raken bliezen Duitse soldaten op 22 april een noodbrug over de Elbe op. De meer dan vierhonderd vluchtelingen op de brug kwamen daarbij om het leven.

**

DIEET

In de door talloze riolen
Vergiftigde Elbe
Leven, zo lees ik vol ongeloof,
Nog vissen.

Een keer per jaar
Met reusachtige netten
In het havenbekken
Van Pieschen in Dresden gedreven,
Wordt het in de mazen
Spartelend zilver
In grote containers gevuld.

Dan,
In het zuivere water
Van een steengroeve
Enige weken gedrenkt,
Tenslotte genietbaar geworden,
Worden de vissen gedood en,
Tot vismeel vermalen,
Aan de varkens gevoerd.

Die echter,
Zo lees ik verder,
Mogen drie weken voor de slacht
Het vismeel niet meer eten,
Opdat hun vlees ook
Geschikt wordt voor ons eigen genot.

Heinz Czechwoski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag Halle-Leipzig, 1981

Pieschen – Het sorbische dorpje Peschen bestaat al sinds 1292. Oorspronkelijk een vissersdorp, kreeg het een economische boom door de eerste Duitse spoorbaan tussen Dresden en Leipzig (1839) en twintig jaar later een eigen haven (1859). Kort daarop ontwikkelde Pieschen zich tot een arbeiderswijk van Dresden.

**

ERVARINGEN MET KARPERS
(Voor Renate en Wolfgang Brömme)

1
Mosselragout, vissoep, karper, gebraden, gekookt
Van oktober tot maart. Moeder
Verslikte zich steeds in een graat.
Vader sloeg haar sussend met vlakke hand op de rug.

2
Gekoesterd door mossige muurtjes
Lagen de vijvers: Ogen vol duistere
Melancholie: Slotvijver, Augustusvijver, Vrouwenvijver,
Aangelegd door August de Sterke.

Door het riet in december
Liepen wij met droge voeten op krakend ijs
Over het moeras naar ’t leeggevist gebied.
In open plassen overwinterden traag de karpers.

Schubkarpers, lederkarpers, spiegelkarpers –
Vlees dat smelt op de tong.
Niet te vergeten de zeelt, de barbeel, de voorn,
Geschubde gezellen, ver verwant
Met het vergeten witvisje, de modderkruiper, de bittervoorn.

3
In zeldzame dromen boomde ik met vissers
In een boot door ondiepe wateren. Met Boheemse monniken,
Roemeense boeren,
Visvijverbezitters in de Lausitz
Was ik in diepgaand gesprek over vervallen schuttingen,
Verdwenen muren, verzande vijvers.

4
De vierponder draag ik in een net naar de keuken, bereid
Tot het oeroud ritueel van de moord.
Potten en pannen zet ik klaar en keur
Voor de volledigheid nogmaals de specerijen:
Roemruchtige laurierblaadjes, krenten en rozijnen,
Amandelen, bitter en zoet, kruidnagels, knoflook,
Paprika, soepgroente, zout en citroen.

5
Dan komt de vis, stuiptrekkend nog, ik
Zeg, het mes geheven, de spreuk:
De vis, de vis / Springt in de kan,
Springt op de tafel / Springt in de pan.

Ingenaaid in de buik wordt het beste:
Lever en milt, hom of kuit, de darmen.
Langzaam in borrelend water, op heel kleine vlam
Hult de karper zich dan in ’t blauw en wordt gaar.

6
Dampend de witte aardappels,
Voorgewarmd de borden, met een krans
Van groene selderij, peterselie, citroen
Presenteert zich de vis. Klaar staat de Poolse saus.

In zilveren kandelaars branden de kaarsen.
De rode wijn goed van temperatuur.
Boter en mierikswortel, room, geraspte appel
Gemengd. Een feest voor de tong.

7
Mosselragout, vissoep, karper, gebraden, gekookt
Van oktober tot maart. Moeder
Verslikte zich steeds in een graat.
Vader sloeg haar sussend met vlakke hand op de rug.

Heinz Czechowski, “Schafe und Sterne”, Mitteldeutscher Verlag Halle (Saale), 1974

Renate Brömme – In 1936 in Halle geboren, kunstenares. Collages, grafiek en schilderijen. Bij het 500ste geboortejaar van Martin Luther maakte zij voor de Schloßkirche in Wittenberg twaalf glasvensters met portretten van de belangrijkste reformatorische scholieren van Luther. In 1967 leerde Renate Brömme de dichters van de “Sächsische Schule” kennen: Heinz Czechowski, Rainer en Sarah Kirsch. In 1963 trouwde ze met dr. Wolfgang Brömme.

**

ERNSTIGE WAARSCHUWING 75

De odendichter H. Czechowski, die
Veel van de wereld houdt, en haar daarom melancholisch
Bekijkt, sinds hij kan denken, heeft 5 jaar geleden
(Hij woonde toen in Trotha, dat is ver weg
Van hier, het centrum, waar ie nu woont, vlakbij
De Stadtgottesacker, waar de stadsgod zit
Van Halle, en, zo te zien aan de bladeren
In het voorjaar, die zijn vet en worden
Elk jaar minder, langzaam verpietert)
De dichter H. Czechowski dus heeft
Zeker 5 jaar geleden, toen we rode wijn dronken
In Trotha, nieuwgrijze voorstad, die van stille
Straten met huisjes, gras en grauwe wilgen
Uitloopt op vierhoekig nieuwbouwland
De huizen hoog, daardrin poppenhuisjes
Aan draden, of in, cocon cocon
De pop in de pop is de mens
Czechowski, zeg ik, heeft 5/6 jaar geleden
Toen we het bij een wijntje, en vreedzaam, hadden over
Geneugten van uiteenlopende aard
Ook over zijn kunst spraken om een karper
Zo toe te bereiden, zoals niemand dat kan
Behalve hijzelf dan; en alleen al bij de ingredienten
Verteld slechts, niet vertoond, liep ons
Het speeksel in de mond zoals bij Pavlov’s hond:
De mens een reflexdier. C., dik tevreden
Nodigde ons uit voor een karperdis tegen de tijd
(Dat zijn, zoals men weet, de maanden met een R)
Dat er karpers zouden zijn, net zo goed als stevig.
Sindsdien, als we elkaar zagen – theater, verhuizing
Bezoek, ziek kind, partijproces –
Was er aanvankelijk nog sprake van uitstel
En steeds wanneer ik Czecho sprak, en dat was vaak
Dacht ik aan karpers. Jarenlang. Elke prikkel
Vervlakt door herhaling of het uitblijven
Van dat wat je verwacht. Dus zou ik rustig kunnen zijn:
Zes jaren zijn zes jaren, bijna zeven.
En echt, ik ben ook rustig, je kent me toch.
Maar soms, wanneer ik karpers zie, dan denk ik
Aan die avond in Trotha, en het ongelofelijke
Voorgevoel in de mond (sindsdien heeft Czecho
2 Bundels met gedichten, 1 band met essays
Vertalingen, interviews, theaterstukken
En een langer werk over karpers eten
Met acht coupletten en vierregelig, maar rijmloos
Gepubliceerd) en dan wil ik, me herinnerend
Staand op zo iets stevigs als Mickel’s tafel
Uitroepen, luid, op z’n minst hoorbaar:
CZECHOWSKI, IN PLAATS VAN ODE’S AAN DE KARPER
GEEF ONS DE KARPER, NU! Dan breekt mijn stem.

1975

Rainer Kirsch, “Auszog das Fürchten zu lernen”, Rowohlt Verlag, Reinbek bei Hamburg, 1978

Mickel’s tafel – Kirsch verwijst hier naar het gedicht “Der Tisch” van Karl Mickel. Het gedicht stamt uit 1973 en werd o.a. gepubliceerd in de bundel “Eisenzeit”, Rotbuch Verlag Berlin, 1975.

**