Gregor Laschen 75

Laschen Gregor  Gregor Laschen

Das Bild der Grenze                                              Grensbeeld

Überm hohen Kamm der Himmel,                             Aan de hoge hemelkam,
die leere Krone der Ebene.                                        de lege kroon der vlakte.
Seehafer wächst, dies Messer                                  Helmgras groeit, dat mes
das Niemandsland                                                     tot in het niemandsland,
herunter, an seinen Spitzen                                       de toppen opgetuigd met
klirren die aufgehängten                                             schaduwen die rinkelen
Schatten im zögernden Wind.                                   in huiverende wind.

In oktober 1978 kreeg ik in Utrecht van Gregor Laschen (geb. 1941) de prachtige bundel Der zerstückte Traum, een liber amicorum dat hij (met Manfred Schlösser) had samengesteld voor de 75ste verjaardag van de grote, maar weinig bekende Duitse dichter Erich Arendt (1903-1984). Een tamelijk lijvig boek van zo’n 270 pagina’s met tal van literaire kadootjes voor Arendt van voornamelijk Duitse, maar ook enkele Nederlandse schrijvers. Het was mijn eerste kennismaking met het werk van de in de DDR levende dichter. Al in 1929 was zijn werk door de latere Oost-Duitse Kulturminister Johannes R. Becher als „te bourgois“ afgekraakt en dat vernietigende oordeel werd niet herzien toen Arendt – in 1933 voor de nazi’s gevlucht – in 1950 uit ballingschap terugkeerde naar Oost-Duitsland.

Gregor Laschen heeft sinds de jaren 70 bijgedragen aan een bescheiden groei van Arendts bekendheid in Nederland. Als docent nieuwe Duitse literatuur aan de Universiteit van Utrecht, als vertaler en uitgever, droeg hij ook zijn steentje bij aan de bekendheid van Nederlandse dichters in Duitsland. Zo vertaalde hij veel werk van Judith Herzberg en stelde in een 17-delige serie Poesie der Nachbarn ook een bundel met Nederlandse dichters samen. (Eine Jacke aus Sand. Poesie aus den Niederlanden, Edition Die Horen, Bremerhaven 1993).

Vandaag is Gregor Laschen zelf ook 75 jaar geworden! Een beetje eer heeft hij bij deze gelegenheid dus wel verdiend. Ook mijn dank voor zijn geschenk van bijna veertig jaar geleden! Daarom bij deze een vertaling van een haast haiku-achtig gedicht van Gregor Laschen.

Gedicht uit: Gregor Laschen Anrufung des Horizonts. Skagen-Zeit, Gedichte, Edition Die Horen, Bremerhaven 1987. ISBN 3-88314-675-7. Vertaald door Jacques Schmitz.

Nieuwe tijden?

1989 – het jaar vóór de omwenteling  is zojuist verschenen. Een e-boekje (pdf) over het jaar dat de definitieve ineenstorting van het Oostblok inluidde. Het is ook in die tijd geschreven – van november 1988 tot november 1989. Een bundeltje “ware verhalen”, die toen verschenen in Het Parool. Stories over de waargebeurde ellende van corruptie, machtsmisbruik, armoede, racisme en antisemitisme in het laatste jaar van de “socialistische” landen van Midden-Europa. Een kwart eeuw geleden en nog altijd actueel! Hieronder de inleiding “Nieuwe tijden?” . Terugkijkend geschreven in dit jubileumjaar.

konjetsDat waren nog eens tijden: Censuur, corruptie, machtswellust, spionnen, verklikkers, vriendjespolitiek, nationalisme, racisme, antisemitisme, werkloosheid en armoede. Zulke hopeloze toestanden wakkerden in de loop van de jaren ‘80 de afkeer van het ‘reëel-bestaande socialisme’ aan. Dus er was ook hoop. De utopie van menswaardige verhoudingen gedacht als nieuwe werkelijkheid. Het systeem zelf liep vast en wist de bewoners in het Oosten van Europa allang geen hoop meer te bieden. Zij ervoeren het alleen nog als een ‘Oostblok’ aan het been. Een kwart eeuw geleden, op 9 november 1989, viel de Berlijnse Muur. Die historische gebeurtenis werd het symbool van de ineenstorting van het hele, door de Sovjet-Unie gedomineerde Oostblok. Maar er was in de maanden en zelfs jaren daarvoor in Midden- en Oost-Europa al het nodige aan het schuiven geraakt.
In de zomer van ‘89 won in Polen de democratische oppositie, de Solidarność-beweging, de eerste halfvrije verkiezingen. In Hongarije knipten de communistische machthebbers eigenhandig het prikkeldraad van het IJzeren Gordijn door. Daaraan voorafgaand veranderde sovjet-staatshoofd en partijleider Michail Gorbatsjov het klimaat met zijn glasnost en perestrojka. Maar vooral de val van de Muur werd wereldwijd gevoeld als de symbolische en onomkeerbare crash van het Oostblok. Het einde van de geschiedenis en het begin van een grote democratische ommekeer. Nieuwe tijden!

Boedapost

In het jaar dat daaraan vooraf ging – dus van november 1988 tot november 1989 – schreef ik tweewekelijks onder de titel ‘Boedapost’ columns voor Het Parool over de ondergang van dat politieke systeem. Na veertig jaar Koude Oorlog kon het Oostblok de concurrentie met het Westen niet meer aan. Het was de ondergang van een samenleving die niet aan het groeiende verlangen naar meer welvaart en meer democratie kon of wilde voldoen. Ook onder de druk van haar eigen onderdanen raakten de ‘socialistische’ landen in ademnood. Eind 1989 ging het Oostblok door de knieën.

Ik was toen als Oost-Europa correspondent geposteerd in de Hongaarse hoofdstad Boedapest. Midden in de ‘vrolijkste barak’ van het ‘socialistische’ kamp. Niet zo stalinistisch verkrampt als de meeste andere Oostbloklanden. In een atmosfeer losjes genoeg om als journalist vrijelijk te kunnen werken. En centraal genoeg gelegen om de geografische uithoeken van het blok snel te kunnen bereiken. In het jaar van de omwenteling was ik veel onderweg, want het vuur van de ommekeer werd al haast overal ontstoken. Ik trok kriskras naar al die brandhaarden in het Oosten. Van Gdańsk (Danzig) in Noord-Polen waar Solidarność, toen nog een illegale vakbond, de echte aanzet tot de omwentelingen had gegeven. Tot Boekarest waar in december van 1989 de slachtoffers van de Roemeense schijnrevolutie in het stedelijke lijkenhuis lagen opgestapeld, slordig neergesmeten in de betonnen onderaardse gangen.

Bij het samenstellen van dit boekje viel me op hoe actueel de thema’s van de hier verzamelde columns eigenlijk zijn. Een schokkende ontdekking, want ze zijn tenslotte al een kwart eeuw geleden geschreven. Spookachtig haast, want de nieuwe tijden komen je bekend voor. In Hongarije en menig ander voormalig Oostblokland stuit je nog altijd of opnieuw op menig fenomeen uit de vorige eeuw: censuur, corruptie, machtswellust, spionnen, verklikkers, vriendjespolitiek, nationalisme, racisme, antisemitisme, werkloosheid en armoede. ‘Hongarije heeft officiëel, ceremoniëel, openlijk, publiekelijk afscheid genomen van de democratie.’

Illiberale democratie

Zo onomwonden zei dat dit jaar de Hongaarse filosoof Gáspár Miklós Tamás – beter bekend onder de afkorting TGM, omdat de Hongaren hun achternaam altijd eerst schrijven. Hij kwam tot die conclusie nadat de Hongaarse minister-president Viktor Orbán zonder enig schroom zijn land een ‘illiberale’ democratie in het vooruitzicht stelde. Zijn voorbeeld zijn de ‘geleide’ democratieën van Rusland’s president Vladimir Poetin en Turkije’s nieuwe president Recep Tayyip Erdoğan. Orbán kondigde zijn eigen systeemwisseling in juli 2014 aan tijdens het jaarlijks herhaalde ritueel van een toespraak voor de Hongaarse minderheid in het Roemeense Tusnádfürdő (Băile Tuşnad in het Roemeense Transsylvanië). TGM ziet die speech als een ‘proclamatie van een nieuw politiek systeem’. Viktor Orbán heeft dus afscheid genomen van de liberale democratie, de vlag waaronder Hongarije tien jaar geleden nog haar toetreding tot de Europese Unie vierde.

Die tijd is voorbij. Orbán is al enkele jaren bezig de autoritaire basis te leggen voor zijn toekomstige ‘illiberale’ democratie. Een ‘geleide’, een ‘Poetinse’ democratie. Het is intussen de vraag of het niet correcter zou zijn om het woordje democratie tussen aanhalingstekens te zetten, want illiberaal is Hongarije in veel opzichten nu al. Het constitutioneel hof, de hoogste juridische instantie in Hongarije, is naar Orbán’s ‘democratische’ normen gestroomlijnd. De persvrijheid is beknot, kritische media worden gekortwiekt. Internationaal gefinancierde NGO’s worden onder Hongaarse controle gebracht om hun kritisch ‘wroeten’ tegen de Orbánregering te beëindigen. Hongaarse Roma worden met oprotpremies uit grote steden als Miskolc verjaagd. Hongaarse schrijvers, zoals György Konrád bijvoorbeeld, worden in de hoek gezet als onpatriottisch en ‘onhongaars’. Wat door de goede Hongaarse verstaander feilloos begrepen wordt als westers en joods. De holocaust wordt daar dit jaar herdacht door de Hongaarse geschiedenis te herschrijven. Officiële mening: Ook al was Boedapest in de Tweede Wereldoorlog een bondgenoot van Hitler-Duitsland, het land treft geen enkele blaam voor de dood van meer dan 500 duizend Hongaarse joden, die in 1944 naar de vernietigingskampen werden verjaagd. In dat jaar zegde het regiem van admiraal Miklós Horthy – vanwege de naderende nederlaag – zijn bondgenootschap met Hitler op. Horthy zocht contact met de gealliëerde tegenstanders, nog net op tijd om niet met de Duitsers ten onder te gaan. De Wehrmacht nam met de Hongaarse fascisten van de Pijlkruisers als hulptroepen de macht over. Voor het huidige Orbán-regime werd Hongarije in dat jaar bij toverslag van dader tot slachtoffer van de nazi’s.

In een Nacht-und-Nebel actie werd er in Boedapest dit jaar een pompeus monument neergeplant, dat die ‘schone handen’ wil onderstrepen. Een Duitse adelaar strekt zijn klauwen uit naar aartsengel Gabriël, naar het arme, geschonden Hongaarse vaderland. Hongarije herschrijft van hogerhand zijn geschiedenis. Een zelfbedachte slachtofferrol wordt tot officiële staatsdoctrine. Het belastende bondgenootschap met Hitler wordt tot een Duitse overval op het weerloze Hongarije geboetseerd. De Pijlkruisers worden weggegumd uit de geschiedenisboekjes. En vergeten is al lang dat het Hongarije van Horthy reeds in de jaren twintig – dus in het interbellum tussen de twee wereldoorlogen – de eerste eigen discriminerende jodenwetten uitvaardigde.

Intussen marcheren er in Hongarije weer een soort Pijlkruisers. Omgedoopt tot Hongaarse Garde, die als paramilitaire beweging in 2009 weliswaar werd verboden, maar intussen weer als Nieuwe Hongaarse Garde rondmarcheert. De beweging is ondermeer verantwoordelijk voor tal van racistische moorden op Hongaarse Roma. Ook levert deze onappetijtelijke club ordediensten aan de extreemrechtse partij Jobbik, de ‘Beweging voor een beter Hongarije’, die zelf ook stijf staat van het racisme en antisemitisme en daarmee bij verkiezingen de op twee na grootste partij van het land wist te worden.

‘Return of the dictators’

Nee, Hongarije is niet het enige oud-Oostblokland waar in de afgelopen 25 jaar sprake was van corruptie, machtsmisbruik, racisme en antisemitisme, beknotte persvrijheid en een ingeperkte rechtstaat. Zeker niet. Het Amerikaanse weekblad Newsweek bracht afgelopen zomer een verhaal onder de kop ‘De terugkeer van de dictators’ (The Return of the Dictators, Newsweek, 6 juni 2014). Een alarmerende opsomming van de somberstemmende ontwikkelingen in de landen van het voormalige Oostblok. En een goed deel van die landen is net als Hongarije inmiddels sinds een jaar of tien lid van de Europese Unie, het democratische Europa zonder aanhalingstekens. Newsweek had het over hybride regiems, geleide democratieën, electorale autocratieën en over een Europees Poetinisme. Hoe je het ook noemt, meent de Duitse politicoloog Jan-Werner Mueller van de Princeton University, het is ‘een vorm van illiberale democratie waarbinnen politieke partijen de staat proberen te kapen voor hetzij ideologische doeleinden of, iets prozaïser, economische voordelen.’

Het is allemaal niet echt nieuw wat Newsweek daar beweert, maar dat maakt het niet minder verontrustend. In tal van Oostbloklanden zijn in de afgelopen 25 jaar autoritaire, populistische en nationalistische politici aan de macht geweest. Van de katholiek-conservatieve Kaczinsky-tweeling in Polen, de corrupte premier Nastase in Roemenië, de autoritaire Meςiar in Slowakije, tot de nationalist Tudjman in Kroatië en diens Servische tegenhanger Milošević. Allemaal zijn ze in vrije verkiezingen aan de macht gekomen of daarin bevestigd, dat wel, maar in alle gevallen werden vrijheden en rechtstaat beknot, tot aan de etnische zuiveringen en moordpartijen in het voormalige Joegoslavië aan toe.

In Boedapest heerst nu de ‘Hongaarse octopus’, zo luidt de titel van de analyse die de liberale democraat Bálint Magyar maakte van het systeem-Orbán. De oud-minister van onderwijs noemt het zelfs een ‘post-communistische maffiastaat’, waarin Viktor Orbán zijn beschermende hand houdt boven zijn vriendjes uit z’n studententijd. Of niet, natuurlijk. Zo gaat dat bij de maffia. De Godfather kan je ook zo weer laten vallen.

De ‘ware verhalen’ in “89, het jaar vóór de omwenteling“, zijn mensenverhalen. Ze gaan over hun tamelijk treurige lotgevallen in samenlevingen die op hun laatste benen liepen. De columns van een kwart eeuw geleden heb ik zeer terughoudend bewerkt. Meestal gaan ze over Hongaarse toestanden, maar niet alleen. Ook worden er zulke verhalen over Polen, Roemenië en Oost-Duitsland verteld. Boedapest was mijn eerste standplaats als correspondent, geen wonder dus dat Hongarije en mijn Hongaarse (net als mijn Poolse) vrienden een blijvend warm plekje in mijn hart hebben. Des te schrijnender voelt het aan, dat hun idealen van 1989 onder Viktor Orbán successievelijk en met succes worden afgebroken. De uitholling van de Hongaarse democratie ettert door: corruptie, vriendjespolitiek, antisemitisme, beknotte persvrijheid, bijgevijlde rechtstaat.

Hoezo nieuwe tijden? Het doet verdomd veel denken aan de – in dit boekje beschreven – ellende, die een kwart eeuw geleden tot de ineenstorting van de ‘socialistische’ regimes heeft geleid.

(Berlijn, november 2014)

1989 – het jaar vóór de omwenteling – kost maar € 3,99 en is hier te verkrijgen: https://sellfy.com/p/jjsw/

 

Wendedromen

Einheiztag” vandaag – 24 jaar geleden schikte Oost-Duitsland zich in z<#n lot en trad toe tot de Bondsrepubliek. De Ossi’s mochten aanschuiven aan de tafel die lang niet zo met lekkernijen beladen bleek als ze dachten. Maar dat bleek pas later. Het zou een kwart eeuw duren voordat hun dromen een beetje waar werden.

Was wird aus unseren Träumen / in diesem zerrissenen Land, zong de verjaagde dichter-zanger Wolf Biermann. Oost-Duitse dissidenten, kunstenaars, intellektuelen – ze hadden tijdens de Wende, de fröhliche Revolution, allemaal zo hun eigen dromen over waar het aan het eind van de jaren tachtig heen zou moeten.

Vijf jaar geleden sprak ik voor de VPRO Radio met de oprichters van de Oost-Duitse oppositiebeweging Neues Forum, Bärbel Bohley en Jens Reich, over de mooie dromen die ze toen hadden: Socialisme, maar dan wel vrij en democratisch. Die dromen kwamen niet uit.

Dromen zijn er om de nacht door te kunnen komen, zei Bärbel Bohley in oktober 2009. Ze was toen al ziek en zou een jaar later aan longkanker overlijden.

Voor vrienden visgedichten

Jacques Schmitz
Heinz Czechowski
Rainer Kirsch

 

Een gedicht en vier vertalingen van Jacques Schmitz, Berlijn 2013

**

ACHTER DE ELBE
( voor Heinz Czechowski)

In de vergiftigde Elbe
schrijft de karperkenner, leven
nog vissen; eetbaar
na weken weken en dan nog
alleen voor de beesten

Achter de Elbe vervetten
in Schweinskoteletten
de dromen, beloofde dis
(karper, groen, citroen)
niet aangericht

De mens, het onbereikbare
opgegeven, leeft nog op

Vleesdieet en schrijft

Alleen

(Voor vrienden visgedichten)

Jacques Schmitz, “Liefst een melkglazen spiegel”, Open Atelier het Klooster, Nijmegen,1989

**

VOOR MIJN VRIENDEN, ZOMER 1975

Spectaculaire doorbraken
Lukken ons niet.

Eenmaal per boot over de Elbe,
Strehla achter de rug.

Korte seconden geluk,
In verzen gebonden.

Opgegeven,
Wat niet bereikbaar is.

Doelloos,
Maar niet zonder hoop

Heinz Czechowski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag Halle-Leipzig, 1981

Strehla im Rücken – Op bevel van Wehrmachtgeneraal Walther Wenck trok het 47ste Panzerkorps zich eind april 1945 terug uit het gebied rond Strehla. Aan de ene zijde van de Elbe waren de Amerikanen in aantocht, aan de andere de Russen. Om niet in Russische gevangenschap te raken bliezen Duitse soldaten op 22 april een noodbrug over de Elbe op. De meer dan vierhonderd vluchtelingen op de brug kwamen daarbij om het leven.

**

DIEET

In de door talloze riolen
Vergiftigde Elbe
Leven, zo lees ik vol ongeloof,
Nog vissen.

Een keer per jaar
Met reusachtige netten
In het havenbekken
Van Pieschen in Dresden gedreven,
Wordt het in de mazen
Spartelend zilver
In grote containers gevuld.

Dan,
In het zuivere water
Van een steengroeve
Enige weken gedrenkt,
Tenslotte genietbaar geworden,
Worden de vissen gedood en,
Tot vismeel vermalen,
Aan de varkens gevoerd.

Die echter,
Zo lees ik verder,
Mogen drie weken voor de slacht
Het vismeel niet meer eten,
Opdat hun vlees ook
Geschikt wordt voor ons eigen genot.

Heinz Czechwoski, “Was mich betrifft”, Mitteldeutscher Verlag Halle-Leipzig, 1981

Pieschen – Het sorbische dorpje Peschen bestaat al sinds 1292. Oorspronkelijk een vissersdorp, kreeg het een economische boom door de eerste Duitse spoorbaan tussen Dresden en Leipzig (1839) en twintig jaar later een eigen haven (1859). Kort daarop ontwikkelde Pieschen zich tot een arbeiderswijk van Dresden.

**

ERVARINGEN MET KARPERS
(Voor Renate en Wolfgang Brömme)

1
Mosselragout, vissoep, karper, gebraden, gekookt
Van oktober tot maart. Moeder
Verslikte zich steeds in een graat.
Vader sloeg haar sussend met vlakke hand op de rug.

2
Gekoesterd door mossige muurtjes
Lagen de vijvers: Ogen vol duistere
Melancholie: Slotvijver, Augustusvijver, Vrouwenvijver,
Aangelegd door August de Sterke.

Door het riet in december
Liepen wij met droge voeten op krakend ijs
Over het moeras naar ’t leeggevist gebied.
In open plassen overwinterden traag de karpers.

Schubkarpers, lederkarpers, spiegelkarpers –
Vlees dat smelt op de tong.
Niet te vergeten de zeelt, de barbeel, de voorn,
Geschubde gezellen, ver verwant
Met het vergeten witvisje, de modderkruiper, de bittervoorn.

3
In zeldzame dromen boomde ik met vissers
In een boot door ondiepe wateren. Met Boheemse monniken,
Roemeense boeren,
Visvijverbezitters in de Lausitz
Was ik in diepgaand gesprek over vervallen schuttingen,
Verdwenen muren, verzande vijvers.

4
De vierponder draag ik in een net naar de keuken, bereid
Tot het oeroud ritueel van de moord.
Potten en pannen zet ik klaar en keur
Voor de volledigheid nogmaals de specerijen:
Roemruchtige laurierblaadjes, krenten en rozijnen,
Amandelen, bitter en zoet, kruidnagels, knoflook,
Paprika, soepgroente, zout en citroen.

5
Dan komt de vis, stuiptrekkend nog, ik
Zeg, het mes geheven, de spreuk:
De vis, de vis / Springt in de kan,
Springt op de tafel / Springt in de pan.

Ingenaaid in de buik wordt het beste:
Lever en milt, hom of kuit, de darmen.
Langzaam in borrelend water, op heel kleine vlam
Hult de karper zich dan in ’t blauw en wordt gaar.

6
Dampend de witte aardappels,
Voorgewarmd de borden, met een krans
Van groene selderij, peterselie, citroen
Presenteert zich de vis. Klaar staat de Poolse saus.

In zilveren kandelaars branden de kaarsen.
De rode wijn goed van temperatuur.
Boter en mierikswortel, room, geraspte appel
Gemengd. Een feest voor de tong.

7
Mosselragout, vissoep, karper, gebraden, gekookt
Van oktober tot maart. Moeder
Verslikte zich steeds in een graat.
Vader sloeg haar sussend met vlakke hand op de rug.

Heinz Czechowski, “Schafe und Sterne”, Mitteldeutscher Verlag Halle (Saale), 1974

Renate Brömme – In 1936 in Halle geboren, kunstenares. Collages, grafiek en schilderijen. Bij het 500ste geboortejaar van Martin Luther maakte zij voor de Schloßkirche in Wittenberg twaalf glasvensters met portretten van de belangrijkste reformatorische scholieren van Luther. In 1967 leerde Renate Brömme de dichters van de “Sächsische Schule” kennen: Heinz Czechowski, Rainer en Sarah Kirsch. In 1963 trouwde ze met dr. Wolfgang Brömme.

**

ERNSTIGE WAARSCHUWING 75

De odendichter H. Czechowski, die
Veel van de wereld houdt, en haar daarom melancholisch
Bekijkt, sinds hij kan denken, heeft 5 jaar geleden
(Hij woonde toen in Trotha, dat is ver weg
Van hier, het centrum, waar ie nu woont, vlakbij
De Stadtgottesacker, waar de stadsgod zit
Van Halle, en, zo te zien aan de bladeren
In het voorjaar, die zijn vet en worden
Elk jaar minder, langzaam verpietert)
De dichter H. Czechowski dus heeft
Zeker 5 jaar geleden, toen we rode wijn dronken
In Trotha, nieuwgrijze voorstad, die van stille
Straten met huisjes, gras en grauwe wilgen
Uitloopt op vierhoekig nieuwbouwland
De huizen hoog, daardrin poppenhuisjes
Aan draden, of in, cocon cocon
De pop in de pop is de mens
Czechowski, zeg ik, heeft 5/6 jaar geleden
Toen we het bij een wijntje, en vreedzaam, hadden over
Geneugten van uiteenlopende aard
Ook over zijn kunst spraken om een karper
Zo toe te bereiden, zoals niemand dat kan
Behalve hijzelf dan; en alleen al bij de ingredienten
Verteld slechts, niet vertoond, liep ons
Het speeksel in de mond zoals bij Pavlov’s hond:
De mens een reflexdier. C., dik tevreden
Nodigde ons uit voor een karperdis tegen de tijd
(Dat zijn, zoals men weet, de maanden met een R)
Dat er karpers zouden zijn, net zo goed als stevig.
Sindsdien, als we elkaar zagen – theater, verhuizing
Bezoek, ziek kind, partijproces –
Was er aanvankelijk nog sprake van uitstel
En steeds wanneer ik Czecho sprak, en dat was vaak
Dacht ik aan karpers. Jarenlang. Elke prikkel
Vervlakt door herhaling of het uitblijven
Van dat wat je verwacht. Dus zou ik rustig kunnen zijn:
Zes jaren zijn zes jaren, bijna zeven.
En echt, ik ben ook rustig, je kent me toch.
Maar soms, wanneer ik karpers zie, dan denk ik
Aan die avond in Trotha, en het ongelofelijke
Voorgevoel in de mond (sindsdien heeft Czecho
2 Bundels met gedichten, 1 band met essays
Vertalingen, interviews, theaterstukken
En een langer werk over karpers eten
Met acht coupletten en vierregelig, maar rijmloos
Gepubliceerd) en dan wil ik, me herinnerend
Staand op zo iets stevigs als Mickel’s tafel
Uitroepen, luid, op z’n minst hoorbaar:
CZECHOWSKI, IN PLAATS VAN ODE’S AAN DE KARPER
GEEF ONS DE KARPER, NU! Dan breekt mijn stem.

1975

Rainer Kirsch, “Auszog das Fürchten zu lernen”, Rowohlt Verlag, Reinbek bei Hamburg, 1978

Mickel’s tafel – Kirsch verwijst hier naar het gedicht “Der Tisch” van Karl Mickel. Het gedicht stamt uit 1973 en werd o.a. gepubliceerd in de bundel “Eisenzeit”, Rotbuch Verlag Berlin, 1975.

**