Metamorfosen (6)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Het Hoofd van Medusa, Peter Paul Rubens (circa 1617)

Marmor, Stein und Eisen

Gekapt: de ongekamde
slangenkop, verschrikt,
gorgone afgrijselijk,
verstijft – #MeDusa

Gebroken: de marmeren
maagd aan het rotsblok,
geketend in steen
met ijzeren ketens

Gevallen: Zeus die
op sterfelijk stond, op
aardse dames viel, op
Danaë, niet alleen

Gemorst: Daar daalt
ogrotegod zo kleingedrukt
als Golden Shower – alweer
een zoon, Perseus

Gekoppeld: Marmor,
Stein und Eisen / los
gebroken, bandig:
Andromeda, maar hemels.

Gehuwd: Aber, onze liefde
niet –˃ eigendomsrecht.
De overval op trouw- , ‘n
groteske slachtpartij.

Gestenigd: Trekt Perseus
z’n Medusa98, versteent
hij vriend’ en vijanden –
met man en Mauser.

Gedicht: De party singer/
song/writer zingt alleen
nog voor de geesten aan
de oevers van de Styx

*

Advertenties

Metamorfosen (5)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Koning Midas verguldt z’n dochter – Walter Crane, 1893

Goldgirl

Aan de klare bosbron, begeert
verguld de koning
kennis

aan een honey. Honger,
dorstend. Meer money,
dan wijs-

begeerte, goud: Alles!
Wat hij aanraakt: zijn avondmaal
edelmetaal…

strekt hij één vinger, één-
maal naar z’n dochter,
wespentaille, -lief: Goldgirl!

Short stories uit de Midasreeks – 5
sterren, uitroep in de marge
-tekens:

Ezelsoren!

Zingt ‘t, zoemt ’t rond,
wespennest -om Midas’
geheim: Luister

Vink!

Aristophanes’ old
comedy: Midas,
stiekem

IM!

*

Metamorfosen (4)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Houtsnede uit Duitse vertaling van Boccaccio’s “De molieribus claro” (druk 1474)

Alle 14 raak

De muzenbron, poetry slok op
de Parnassus, of toch gewoon
maar ’n fonteintje: een kelkje
klaterwater.

Ook Amphion dronk / drong
zijn Niobe. Greep haar – zo
vaak z’n lier: dronken
bezongen!

Niobe, de poes, zelf
ingenomen met haar schaar:
veertien kittens, maar liefst.

Kat dan Leto om haar schamele
tweeling. Schampert: Schaars!
Dan spannen dus Titanen-
kids hun bogen: pijlen
wolk:

Alle veertien, ach, allen
aangeschoten – én
raak!

Amphion zelf geschonden,
Niobe ook tot / dode
steen (not yet marble).

Ach, Achelous… Nu nog
vloeien witte tranen
dwars door Hellas.

Och! Stomdronken
dichters, dodendans
met trauer

fahne…

*

Metamorfosen (3)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Apollo en de Horae, Georg Friedrich Kersting (1822)

Jachtgebied

Phoebus, Apollo, valt niet ver
van z’n stam: doorkruist
Zeus’

jachtgebied: Bij bosjes!
Die nimfen – bij bergen
met hun spleten en hunker
holen in de buurt
van Delphi.

Lichtvoetig volgt het jong
de geile geur van angst
zweet, die ’t godenkroost
voor wierook houdt.

Het spoor dat de delphische
maagd daar achterlaat, lokt hem
naar haar caverne; ver-

volgt haar, Castalia,
tot de – voort, voort!
vluchtige, dat kalf,
verdronken;

volgt haar vlug, heel
het jaar door, elk uur
te voet.

De dichter met zijn tiere
lier, z’n jeukend
neusje, loopt:

zijn pijl achterna, noodt
haar

gedwongen.

*

Metamorfosen (2)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

 

Piero del Pollaiolo (1441-1496), Apollo & Daphne

Hazewind

(Litaniae Lauretanae)

Sneller dan de wind ’t licht
– met godspeed – vlucht ze
als hij haar naroept:

Nimf, ik jaag je niet. Zo vlucht
toch – trillende vleugels – de duif
voor de adelaar.

De hond, Apollo, holt. Hij jaagt
haar, de jaagster, het haasje.
Rep je, wind!

De gejaagde maagd bidt
in samenzang: Oh Daph, ach
Lauri…

Haar haren bladeren.
Haar armen takken.

Onder ’t schors nog
betast hij haar
bevende…

“Woef!”

*

Metamorfosen (1)

Poëzieweek 2018, 25 jan. – 1 feb.

Jean-Léon Gérôme (1824-1904), Pygmalion, rond 1892.

Als was

Van Cyprus, die losbandige 
meisjes, die hoerige wijfjes. 
Hoornige rotsen voor de kust: 
bronstige bullen.

Afkerig keert hij, Pygmalion, wendt
zich tot zijn werk: de kunsten-
maker, ach, je moet wat: avenidas,
flores, mujeres (verzinnen).

Die beeldige Galatea, gehouwen,
geslepen. Gestreeld 
ivoor, gekneed.
In zijn vingers

als was. Wat verbeelding 
al niet vermag. My! - 
Venus, Diana, perse
phone me, fair lady!

En dan liefst zo'n knap 
kontje (als dat 
mag...)

*

Oceaanbodem

Vandaag 52 jaar geleden overleed de Amerikaanse dichter Jack Spicer in het ziekenhuis van San Francisco. Veertig jaar jong, maar een wrak. Een dronken schip gestrand. Pakweg drie weken eerder was de homo-dichter in de lift van zijn flat in elkaar gezakt. In het General Hospital lag hij meestal in coma, maar kwam af en toe bij en communiceerde, zij het kort en moeizaam. Zijn laatste woorden tegen vriend en mede-dichter van de Berkeley Renaissance, Robin Blaser: “My vocabulary did this to me…“. Zijn woordenschat, zijn taal, zijn gedichten konden hem niet redden. Dichten, zei hij tijdens een lezing in Vancouver, een paar maanden voor zijn dood, doe je niet voor je lol.

Oceaanbodem

 (Ivre mort, wrecked bateau)

 

Strandt daar de dronken

lift, komt hier ladder

zat niet meer te boven

 

Verroeste schoeners, onbemande

boten aan de grond

gelopen, verzopen

 

Nergens meer – noch Wreck

Beach – binnengelopen, zo

strandt het lave-

 

Laveerloos, have-

havenloos/

 

Kort voor Vancouver roept

de oceaanbodem, zendt slechts

ruis in de mist

 

Het scheepswrak zwaait

– wuivend zeewier –

uit/

 

(Dit is het einde van het gedicht)

*

De foto is de achterflap van DE OCEAAN, een verloren book van Jack Spicer, gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz. De verzameling Spicer-gedichten, bewerkingen, pastiches, chats en een nieuw voorwoord van Spicer verschijnt binnenkort als e-book. Omslag en binnenwerk zijn een ontwerp van Maarten Schmitz.

Berlijn neerslagtig

(voor L. J. Swaanswijk)

Alles aan’t weer is waard’loos

foto © Martin U Waltz, Berlin 1020 Street Photography Collective

Swaanswijk is natuurlijk de dichter, schilder en graficus Lucebert (1924-1994), koning der Vijftigers en mede-oprichter van de Cobra-groep, die na WO II de Nederlandse literatuur en beeldende kunst moderniseerden. Lucebert was de auteur van misschien wel de beroemdste regel uit de moderne Nederlandse poëzie: Alles van waarde is weerloos, die in neonletters op het gebouw van een verzekeringsmaatschappij in Rotterdam werd gemonteerd.

En de Berlijnse “mecker”-mentaliteit is legendair; er valt hier altijd wel wat te kankeren. En het weer is natuurlijk ook in de Duitse hoofdstad een geliefd mopper-thema. Veel wijken kwamen de afgelopen weken door forse regenval onder water te staan. De neerslag maakte veel Berlijners neerslachtig.

Te koud, te heet. Te droog, te nat. Altijd wat.

 *

Fußnote bei Ding Sprache (dts/nl)

(Voetnoot ook in het Nederlands, onderaan)

Ding Sprache ist das erste Gedicht von Spicers Language-Buch; das book erschien in juni 1965, zwei Monate bevor Jack Spicer im Krankenhaus von San Francisco starb. Es war sein letzter Kampf mit Sprache und Wirklichkeit, mit dem Wort und dem Ding. Bekannt und trotzdem öfters übersetzt, auch weil es sich als programmatisches Gedicht lesen läßt.

In Juli 2017 publizierte Signaturen-Magazin zwei Übersetzungen in Deutscher Sprache. Beide, unterschiedliche, Nachdichtungen stammen aus De Oceaan, Jack Spicers ‘verlorenes book‘, gefunden von Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz (erscheint im Sommer 2017 als niederländisches e-book).  Signaturen hatte in Mai 2017 schon eine Übersetzung, Gegenstand Sprache, von Norbert Lange. Pim Lukkenaer bewerte in einer vergleichenden Liste der drei Übersetzungen.

Ding taal is het openingsvers van Spicers Language-boek, de bundel die in juni 1965 bij de White Rabbit Press in Californië verscheen; de laatste publicatie van een Spicer-book bij leven. Het gedicht is een van de bekendste en vaak geciteerde verzen van Jack Spicer omdat het zich ook als een programmatisch gedicht laat lezen. Thing language is daarom vaak vertaald. Nu ook door de ‘vertalers’ van De Oceaan.

In juli 2017 publiceerde het Signaturen-Magazin, het digitale “platform voor autonome poëzie”, beide Nederlandse versies in een Duitse vertaling nadat het ‘blad’ al in mei van dat jaar Gegenstand Sprache, een vertaling van Norbert Lange, had gepubliceerd. Pim Lukkenaer maakte een vergelijkend lijstje van de drie vertalingen en zijn voorkeuren.

*

Voetnoten bij Song voor Bird en mezelf

Voetnoot in de Nederlandse uitgave van Jack Spicer “De Oceaan”

bij de Duitse vertaling in Signaturen-Magazin

 

Birdland, Bird en Parker

Al in een vroeg stadium waren birds, dus vogels, voor Spicer c.s. ook altijd dichters. Zeker toen Jack in 1946 aan de Berkeley universiteit Robert Duncan en Robin Blaser leerde kennen. Op een presenteerblaadje door Blasers voornaam aangedragen: Roodborstje. Ook een decennium later nog.

De New York- en Boston-tijd, van 1955 tot ’56. De ongelukkige en ontwortelde Spicer schreef in die korte periode nog zijn one-night-stands over zijn affiniteit met muziek, vooral jazz en folk, zijn homoseksuele verlangens en zijn heimwee naar het vertrouwde Californië. Birdland, California is zo’n gedicht, geschreven voor de toen 25-jarige en pas getrouwde hetero Joe Dunn (de oprichter van de White Rabbit Press waar in 1957 After Lorca en de andere boeken van Jack Spicer verschenen). Spicer leerde Dunn in Boston kennen en werd meteen verliefd. En schreef dit gedicht over Orpheus o.a.: ...he had the weight of Eurydice upon his back / He tried to carry her / Up that imaginary stairway.

Maar Birdland is voor Spicer en zijn entourage ook de beroemde jazzclub in Manhattan vernoemd naar Charlie “Bird” Parker (in 1955 gestorven). Waarschijnlijk bezocht Spicer de club meer dan eens tijdens zijn korte verblijf in New York City voor hij (na een paar ongelukkige maanden) naar Boston verhuisde waar hij via Robin Blaser voor een klein jaar een baantje kreeg op de Afdeling voor Zeldzame Werken van de Openbare Bibliotheek van Boston.

In z’n Boston-tijd experimenteerde Spicer met verschuivingen, phraseologie en accidenties. Een phrase is een term die zowel in de muziektheorie als ook in de linguistiek wordt gebruikt voor een bepaald deel of passage in een muziekstuk of een tekst. In de muziektheorie is een ‘accidentie‘ het verlagen of verhogen van een toon met een halve stap. In dat verband zegt Spicer in zijn derde Vancouver Lecture dat dichters moeten leren ‘vals’ (off key) te zingen, zoals Billie Holiday (later kon ze vaak niet anders) en saxofonist Charlie Parker dat bewust deden.

Zo verschuift de linguist Spicer zulke zinnen en versregels ook naar de muziek van Charlie Parker, die o.a. beroemd was voor zijn dissonanten en ritmische verschuivingen. Het ‘vals’ zingen en de verschuivingen zijn in die tijd bij Spicer ook poëtische experimenten met o.a. verschillen in de lengte van de versregels, veranderingen in de aangeslagen toonhoogte (hier z’n driftige Publikumsbeschimpfung), woordspelingen, verschillende soorten taal (songs, spreektaal, proza, brieven). Bij uitstek toegepast in het gedicht “Song for Bird and Myself”.

*

uit Jack SpicerDe Oceaan“, een verloren book gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz. Binnenkort verkrijgbaar als e-boek.