Hechting : Adem / Rainer René Mueller

RRM Bild

Hechting : Adem

“Pour … niaiser et fantastiquer.”
 (Montaigne / Flaubert)

 

… ene met gehemeltespleet
& geknepen stem (nasaal)
haalt mij met handdruk
terug in ’t ademen,

na stilstand, lichttunnel,
na de blik, zo
van bovenaf, op mij
teneinde, om te beginnen

weer tot ademen terug.
De fles met lucht houdt
vooreerst zucht en sirenen
uit de stilte weg, in othem en de letteren:

letterlijk, de dichter
als jonge man:

contre-valeur, speeldoos,
suturen…

*

RRM – adem met horten en stoten

Hortend, stotend, afgebroken, ingeslikt. De taal van Rainer René Mueller komt in brokken. Hij veegt de scherven, die brokstukken, op. Verwijst zo naar een bedreigende werkelijkheid en de literaire werken die de bedreiging beschrijven. RRM bouwt zijn verzen, zegt hij zelf, ‘volgens een ritme- en klankstructuur‘. En balanceert daarbij op het randje van struikelen. De dichter zet steeds weer aan tot zingen, maar stokt dan. Polkabrokken, struikelblokken. Stolpersteine.

In het jaar van Muellers geboorte, in 1949, schreef de Duitse filosoof/socioloog Theodor W. Adorno zijn omstreden these „Na Auschwitz een gedicht schrijven, is barbaars“ (in Kulturkritik und Gesellschaft, 1951). Een kritiek op cultuur en kunst die in barbarij en totalitarisme ontaarden kunnen, waarvan sinds de jaren twintig van de vorige eeuw het nationaal-socialisme en de Holocaust de afgrijselijkste voorbeelden zijn. Een decennium later nuanceert Adorno zijn radicale these enigszins en formuleert (dialectisch natuurlijk) “De hedendaagse, authentieke kunstenaars zijn diegenen in wier werk het ultieme afgrijzen nog nabeeft.

Rainer René Mueller is ook nu nog zo’n authentieke dichter in wiens werk de misdaad van de Shoah naklinkt. RRM, de joodse dichter, put daarbij uit de verbondenheid met zijn joodse grootmoeder, Rosa Eliescher, en het poëtische oeuvre van de joodse dichter Paul Celan. Beiden, Eliescher en Celan, geboren in het (nu Oekraiense) Czernowitz, toen de hoofdstad van de Boekovina. Paul Entschal, zoals Celan eigenlijk heette, heeft zich van Adorno’s literair-morele ‘verbod’ nooit wat aangetrokken en schreef in mei 1945 al zijn bekende Todesfuge met zijn wel bekendste regel De dood is een meester uit Duitsland. Toen RRM in de jaren zestig/zeventig begon te schrijven, trad hij in de voetsporen van Celan.

Hermetisch. Paul Celan gold als een moeilijk toegankelijk dichter, die zijn lezers adviseerde zijn stugge verzen toch steeds weer te lezen, dan komt het begrip vanzelf. Het begrip hermetisch zelf heeft overigens eerder een afschrikkende werking, als een waarschuwingsbord, zo’n pas-op-woord. Net als Celans verzen zijn ook de gedichten van RRM verdichte, compacte, gecondenseerde teksten, maar ze zijn geenszins ontoegankelijk. Ze vergen wel enige inspanning en arbeid van de lezer. Dat wel.

Muellers eerste en veelbelovende dichtbundel draagt de melodieuze titel Liedduits (Lieddeutsch, 1981), maar dat gaat bij hem dan wel met horten en stoten. Zijn taal, als ook zijn publicaties. In de jaren tachtig publiceerde RRM nog volop, maar daarna werd poëtisch niet echt veel meer van hem vernomen. Intussen echter komt de ‘herontdekte’ dichter weer in de belangstelling. De Zwitserse uitgever en vertaler Urs Engeler publiceerde met Poèmes-Poëtra, een uitgebreide keuze uit Muellers werk (roughbook 34, 2015, samengesteld door Dieter M. Gräf).

Ondanks een aangeslagen gezondheid is Rainer René Mueller aan een dichterlijke wederopstanding bezig. Waarvan ook zijn gedicht Hechting : Adem getuigt. Het gedicht, in het origineel Rißvernähung : Oxygène, werd onlangs gepubliceerd in Engelers literair tijdschrift Mütze # 14, met een uitgebreide (maar liefst 28 pagina’s tellende) analyse van Chiara Caradonna, Mit Nadel & Faden, dus ‘Met naald & draad’.

Rainer René Mueller werd in 1949 in Würzburg geboren. Hij studeerde o.a. filosofie, germanistiek en kunstgeschiedenis. Was vooral in de jaren ’80 als dichter actief, werkte als kunst-docent en curator. RRM woont in Heidelberg en het Franse Harbouey (Lotharingen). Zie verder zijn website.

*

 

 

Advertenties

Quatre Spitzen

schwestern-destrees

(een gedicht uit de reeks Vingerwijs)

Zo breekbare
borstjes, open en bloot
in ’t park van Fontainebleau,
en wat er dan tussen die
dames

allemaal niet!

Gebeurt in ’t klein, zo ranke
handjes, tussen wijs
en duim, die onwijs teder
naar een trouw
ring, tepel
reiken, tasten
allebei.

Als theedrinken, strelend
met gespitste lippen en
opgestoken pink!

:

Geil kijken op hun stijve stokken
oude wandelmannen naar die twee
en strekken tengels uit
en testen hun Zitzen
gevoel, en knippen als
vanouds hun
vingers

: Spitze!

*

Quatre spitzen – De titel verwijst naar de Franse koning Henri Quatre (1553 – 1610) en de vier tepeltjes op het bekende schilderij met diens maitresse, Gabrielle d’Estrées en haar zus, de hertogin van Villars. Het kunstwerk is rond 1594 gemaakt door een onbekende schilder uit de (tweede) Fontainebleau School, de Franse renaissance, en hangt in het Louvre in Parijs. Gabrielle d’Estrées was vele jaren de lievelingsmaitresse van Hendrik IV en moeder van vier van zijn vele kinderen. De bon roi Henri erkende officiëel zijn vaderschap van de drie (het vierde werd dood geboren). Henri Quatre, die bestuurlijke en economische hervormingen doorvoerde, was bij de bevolking populair door zijn belofte dat elke Franse boer zondags een kippetje op tafel zou krijgen. De koning, ooit aanvoerder van de protestantse Hugenoten, overleefde de Bartholomeusnacht (1572), maar werd in 1610 uiteindelijk toch nog vermoord door een katholieke monnik.

Spitze is een Duits woord met eindeloos veel betekenissen, onder andere staat het voor top, vet, te gek! In het Nederlands wordt het woord fingerspitzengefühl (dan klein geschreven) vaker gebruikt dan een krukkige vertaling als vingertoppengevoel. Naast aanpunten en toespitsen heeft het Duitse spitzen als werkwoord ook de betekenis van verlangen, begeren en geil zijn. Hoewel Spitze daar ook aan doet denken, is het echte Duitse woord voor tepel toch Zitze.

Was het wel moord?

modell-kuhlbrodt

Model-krimi van Jan Kuhlbrodt

Wat een merkwaardige Krimi, deze raadselachtige misdaadroman! Is beeldend kunstenaar Thilo nu wel of niet door zijn vriend Schroth vermoord? Is hij geveld door zijn eigen verchroomde sculptuur? Gewoon omgevallen of omgestoten? Toeval, wraak? Ook al bekent Schroth zijn daad al meteen aan het begin van de roman. “Ik heb in de Oosthaven aan schroeven en steunbalken gerommeld, dusdanig dat Thilo’s kunstwerk wel omkiepen en hem raken kon, niet perse moest.” Dus was het eigenlijk wel moord?

Met Das Modell (Het model) heeft de Duitse schrijver Jan Kuhlbrodt een model-krimi geschreven. Een korte, zo’n 100 bladzijden tellende roman naar het model van een misdaadroman. Naar de regels van het detective-spel, die echter telkens weer door de auteur veranderd, verdraaid, vertekend worden. Het is daarmee tot een filosofische roman over de onbetrouwbaarheid van onze herinnering geworden. Een vertelling over verloren, vervaagde, vergeten vriendschappen. Over de tijd, over de geschiedenis. Een zoektocht door de labyrintische tuin der vergetelheid. Een blik door – zoals het omslagdesign al aangeeft – beslagen, verregende ruiten.

Jan Kuhlbrodt, die in Chemnitz werd geboren in een tijd (1966) dat die Oost-Duitse stad enkele decennia Karl-Marx-Stadt heette, is dichter, schrijver, filosoof. Hij studeerde in Leipzig en na de val van de Muur in het West-Duitse Frankfurt/Main. Daarna weer terug in Leipzig, waar hij nog altijd woont en ook aan het Duitse Literatuurinstituut studeerde. Kuhlbrodt schreef proza en poëzie, ondermeer de dichtbundels Kaiseralbum (2015) en Stötzers Lied (2013) en de romans Vor der Schrift (2010) en Schneckenparadies (2008). Al deze (en ook nog enkele andere) boeken gaan over tijd en vergetelheid, geschiedenis en herinnering. Het is zijn thema.

Het verhaal van Het model is gauw verteld: Kuhlbrodts protagonist Schroth is teruggekeerd naar zijn geboortestad (weer bij moeders) en kijkt terug op zijn verloren dromen en vriendschappen. Schroth verzamelde voor zijn vriend Thilo allerlei – inspirerend bedoelde – rommel, waar de beginnend kunstenaar meestal niks mee deed. Behalve dan dat ene pakje soldeerdraad, dat het begin van diens loopbaan zou worden. Van de buigzame draad maakte Thilo modellen voor zijn verchroomde sculpturen. Schroths droom: Thilo de kunstenaar, Schroth zelf diens theoreticus en intellectuele promotor. Toen vertrok Thilo naar Amerika om echt carrière te maken. En schonk Schroth bij zijn afscheid zo’n soldeerdraad-modelletje. Dat was alles.

Wanneer Thilo jaren later uit Amerika terugkeert, negeert hij zijn vergeten vriend Schroth volkomen. Thilo komt voor de opening van een grote tentoonstelling naar Frankfurt en daar worden zijn glanzende stalen sculturen uitgeladen aan de Oosthaven. De ronde verchroomde beelden reflecteren wel de wereld. “Maar het is geen weerspiegeling, geen afbeelding. Dat wat in die glimmende en gebogen oppervlaktes verstrikt raakt, is zozeer verwrongen, dat je absoluut niks meer kan herkennen.” En zo vertroebeld raakt ook Schroths blik op de verwaterde vriendschap. Een kijk op de wereld als in de Frankfurter jaren toen hij nog zijn kost verdiende als glazenwasser.

De trouweloze Thilo duikt niet voor het eerst op in het werk van Jan Kuhlbrodt. Ook in zijn eerder verschenen roman Schneckenparadies is Thilo de jeugdvriend van de hoofdpersoon. Twee kinderen in Karl-Marx-Stadt die met rijkelijk gras en groene bladeren een badkuip tot een utopische verblijfplaats voor slakken omtoveren. Gek genoeg zijn de dieren de volgende dag alweer uit hun paradijs vertrokken. Gevlucht. Telkens weer. Het Slakkenparadijs is een autobiografische Wende-roman over de aanloop naar het einde van de DDR. En daarmee de voorloper van Das Modell, dat als Ende-roman afrekent met de voorstellingen en vriendschappen uit een vervlogen tijd.

In zijn nieuwste roman gaat Jan Kuhlbrodt opnieuw op zoek naar die temps perdu. Maar het lukt zijn protagonist niet echt om zijn herinnering op te frissen. De rode draad van de geschiedenis – die in de jaren zeventig en tachtig nog enig houvast gaf – is hem als ordelijk opgerolde wolbaal uit handen gevallen en “de rode draad van het lot werd weer uitgerold in het labyrint van de tijd”.

De slakkenbadkuip is een volkstuintje geworden. Kuhlbrodts urban gardening metafoor voor een ordentelijk aangeharkte DDR, een land van louter hortologen en hoveniers. Van landschaps-architecten en hobby-tuinders, de grasmaaiers van de VEB Volkstuintjes. “De grasmaaier was, zo leek het wel, het lievelingsgereedschap van mijn vader, net als van mijn overgrootvader. (…) Je kon dat interpreteren als het gloren van het communistisch paradijs (…). Want er was nooit ruzie over wie er nu weer mocht maaien, het gras was nooit kort genoeg…” Utopisch tuinieren als metafoor voor de socialistische kleinburgerlijkheid. Geregeld de grasmat maaien als gestuurde groei, ook als censuur. Gedicteerd door het ritme der seizoenen, vorst en dooi.

Jan Kuhlbrodt bouwt zijn verhaal op uit korte hoofdstukken. Herinneringsflarden aan jeugdvriend Thilo, medestudent Zassi en eerste liefde Kerstin. Vrienden die allengs ‘zomaar’ uit Schroths leven zijn verdwenen en slechts memorie-resten hebben achtergelaten. Zo is het soldeerdraad-modelletje ooit van tafel gekieperd of was het toch Thilo’s sculptuur? Schroths nagedachtenis, his story, wordt vlot verteld, zij het niet rechttoe-rechtaan. Eerder springerig, fragmentarisch en niet chronologisch. Een tastende terugblik. Meer een innerlijke monoloog. Zoals denken en herinneren nu eenmaal gaat.

Ja, zo gaat dat ook met geschiedenis en het schrijven van geschiedenissen. In zijn essay Geschichte. Geen weg, slechts gaan (2013) schrijft Kuhlbrodt: “Dat ik me met geschiedenis bezighoud, is voor mij niet alleen conceptioneel van belang, maar ook constituent voor mijn schrijven, niet alleen omdat mijn eigen posities en zekerheden meermaals fundamenteel verbrokkeld zijn. Wat dat betreft zit ik middenin een ruïnenveld van vernielde of ingestorte opvattingen.”

Dat heeft ook gevolgen voor zijn schrijven, voor zijn thema’s en vertelstructuren. Nog onlangs schreef Kuhlbrodt op zijn blog Postkultur, niet direct over Das Modell maar ook weer niet toevallig: “Tijdconcepten die uitgaan van een puur getalsmatig verloop van een vertelling, zijn waarschijnlijk bij uitstek een basis voor autoritair denken. Dat wordt niet alleen in de romans weerspiegeld, maar ook in hun receptie. Als inhoud altijd alleen als chronologisch verloop wordt gedacht, dan sluit dat denken zich ook af voor mogelijke interferenties. Lezen wordt dan een saaie bezigheid. Een causaalgebeuren. En ook het schrijven van zulke teksten is dan niet echt leuk meer.”

Zo is Das Modell dus niet geschreven. Het is wel een filosofische roman geworden, maar niet zwaar op de hand. Kuhlbrodt schrijft op een toegankelijke manier. Hij geeft spannende kapstokken die tot denken aanzetten. Dat houdt ook de lezer (in ieder geval deze) bij de les. Benieuwd – als bij een ‘echte’ Krimi – naar de ontknoping. Geen definitieve antwoorden, wel intrigerende vragen.

Schroth zelf tot slot over de model-moord: “Eigenlijk ben ik niet iemand die een moord zou plegen, maar je weet maar nooit.”

Jan Kuhlbrodt, Das Modell, roman, 110 pagina’s, Edition Nautilus, Hamburg 2016. Prijs € 16,-.

*

Mc²

einstein-hopi-1931

(uit de cyclus Dark matter)

Joe jaagt die elementen die
onbedaarlijk met gevaarlijke
deeltjes, golven

Modder spuiten op het home
land en de blanke droom
tot zwarte gaten maken

Die bandeloze spoken, boze
met hun vuile rode poten
onze propere hortus slopen

Achter de wereld nog een
en meer nog: verder
denken, ver denken!

Joe verjaagt de kosmisch denker
die ’t relatieve van die jacht
geen blik meer waardig acht

Alleen de laatsten der Hopi-indianen
willen nog wel met Groot Hoofd
op de foto en hem vereren

Als verwante geest en geven
hem een nieuwe naam:
Great Relative

En delen dan, voor alle tijd en
ruimte, een vredespijpje met
wat kleine paddo’s

Paffen
peace man,
pacha!

*

Foto – uit 1931, toen Einstein met zijn (tweede) vrouw Elsa op bezoek was bij de Hopi-Indianen. Einstein, tweede van links, met vredespijp en verentooi. De foto werd genomen voor het Hopi House in het Grand Canyon National Park, Arizona, op 28 februari 1931.

mc² – Alom bekend is natuurlijk de Einstein-vergelijking E = mc² waarmee hij de equivalentie uitdrukte van energie (E) en massa (mc²): Energie is gelijk aan massa vermenigvuldigd met het kwadraat van de snelheid van het licht. Het komt er op neer dat massa en energie verschillende vormen van hetzelfde zijn. Einsteins relativiteitstheorie leidde ook tot een nieuwe definitie van ruimte en tijd, die met elkaar verweven zijn. De ruimtetijd is alleen denkbaar als één entiteit die heden, verleden en toekomst bevat. De Einstein-vergelijking beschrijft hoe de ruimtetijd door de zwaartekracht wordt gekromd.

Mc² – waarmee ook de Amerikaanse senator Joseph McCarthy is bedoeld, wiens naam hier ingekort is tot mc². Joseph Raymond McCarthy (1908-1957) was een republikeins politicus, bekend geworden door zijn rabiate heksenjacht in de vroege jaren ’50 op ‘commies’ die het Amerikaanse regeringsapparaat zouden infiltreren. De verdachtmakingen en vervolgingen golden vooral de liberals, al dan niet communistische, linkse intellectuelen, schrijvers, theatermensen, filmers. McCarthy’s complottheorieën vergiftigden jarenlang de culturele en maatschappelijke sfeer in de Verenigde Staten. Tal van intellectuelen werden voor publieke hoorzittingen over on-Amerikaanse activiteiten gedaagd. Veelal ook Europese migranten die in de jaren ’30/’40 voor de Duitse nazi’s en de oorlog naar de VS gevlucht waren. Onder hen ook Albert Einstein, die zich in de groeiende atmosfeer van wantrouwen en verdenkingen steeds ongemakkelijker voelde. Ich hab mich kaum je unter den Menschen so fremd gefühlt als gegenwärtig, oder ist es eine Täuschung durch Vergessen? Das Schlimmste ist, dass nirgends etwas ist, mit dem man sich identifizieren kann. Alles brutal und verlogen, schreef Einstein in een brief aan Gertrud Warschauer, 15 juli 1950, ten tijden van de McCarthy-campagne. In april 1955 is Einstein in het ziekenhuis van Princeton gestorven.

pacha – overigens beschouwden ook de Inca’s al tijd en ruimte als één entiteit die zij pacha noemden. Dat begrip is ook nu nog bij de Indiaanse bevolking van de Andes in gebruik in de talen Quechua en Aymara, die onder druk staan van het opdringende Spaans en Portugees, maar in verschillende delen van Zuid-Amerika nog altijd door zo’n 14 miljoen mensen worden gesproken.

Jupiters party

Júpiter_y_Tetis,_por_Dominique_Ingres

Gehuld in hemelse vloeistof
dia’s, grote god, you psycho
delische licht
show!

Big boy van de Melkweg
omringd door ontsluierde
meiden, ontbonden jongs,
windt hij hen goddelijk
trouweloos om
zijn ringloze
vinger

and the gods made love

bedwelmd door geur en
kleur en een rode vlek
van begeerte meer
dan van schaamte, de
potente,
potentate:

de wolk zonder
broek, withete
stier, adelaars hov
aardig, transgender
menner, mijn heer

de
godenkoning, trawant van
party-poppers, legt ze
allemaal flach, al die
trabantjes

wiet walmend, snuffig,
gemarmerd ommanteld, rond
z’n verborgen schouders,
leent hij jimi’s luft
gitarre, Lady
God Diva

haast erhascht,
verlangt hij dan
betrapt, naar

zijn Juno

[ Jesús, verzucht
Zeus, wat ’n gods
onmogelijk
gedoe! ]

*

Ik werk al een tijdje aan een gedichtenreeks getiteld Dark matter, me dunkt een passend thema voor poëzie, zeker sinds Stephen Hawking in 2011 liet weten dat filosofen, dichters en dat soort kunstenmakers het wel kunnen schudden: “Philosophy is dead”. Het moet een reeks worden waarin poëzie, fysica en cosmologie een innige verbinding zullen aangaan. Het is nog een work in progress, maar Jupiters party komt nog het dichts in de buurt van een voltooiing. Omdat de NASA-satelliet Juno gisteren (4.7.2016) in een omloopbaan rond Jupiter, de grootste en meest omsluierde planeet van de Melkweg, is gebracht, leek het me een passend moment om in ieder geval een tipje van de Dark-matter-sluier op te lichten.

*

Jupiter planeetde grootste planeet in ons zonnestelsel, de Melkweg, door een dikke, dichte, kleurrijke atmosfeer van gassen omgeven, waardoor de kern niet zichtbaar is. Bijna vijf jaar na de lancering in 2011 is de NASA-satelliet Juno op 4 juni in een omloopbaan rond Jupiter gebracht. Juno moet de oorsprong en toestand van de planeet onderzoeken en zal aan het eind van haar missie binnendringen in het gaswolkendek om haar scherpe blik te richten op de nog onzichtbare planeet zelf. En dan te vergaan en zich voorgoed met haar Jupiter te verenigen.

Jupiter god – was de oppergod in de Romeinse mythologie. Hij fungeerde net als Zeus in de Griekse mythologie als de godenkoning. De god van de hemel, de god van het weer, het onweer, bliksem, storm en regen. Juno was een van zijn zussen, maar dat weerhield hem er niet van haar te huwen. De regengod druppelde trouwens ook behoorlijk rond bij talloze vrouwen en knapen. Gewone mensen evengoed als godinnen. De Romeinse wereld was daardoor vol van hele en halve goden, allemaal nazaten van de oppergod. Het schilderij van Jupiter is  van Jean Auguste Dominique Ingres (1780-1867).

Melkweg – al sinds 1970 is de Melkweg in Amsterdam een theater- en muziektempel. In de jaren ’70 werden de rockconcerten begeleid door psychedelische lichtshows waarbij de bewegende kleuren van vloeistof-dia’s op projectieschermen en muren werden geprojecteerd.

and the gods made love – is de openingssong van Jimi Hendrix’ album Electric Ladyland (1968). De band Jimi Hendrix Experience werd tijdens de opnames voor hun laatste studio-album ondermeer bijgestaan door Dave Mason, Chris Wood en Steve Winwood van Traffic, door Jack Casady, de bassist van Jefferson Airplane en gitarist-organist Al Kooper (o.a. de orgel bij Dylan’s Like a Rolling Stone).

wolk zonder broekvermomd als een dreigend donkere wolk wist Jupiter de vluchtende Io, de dochter van de riviergod Inachos, tegen te houden en haar te verleiden. De versregel refereert overigens ook aan het poeem Een wolk in een broek van Vladimir Majakovski. Io is een van de vier grootste Jupitermanen, de Galileische manen, die in 1610 door Galileo Galilei met een eenvoudige Hollandse verrekijker werden ontdekt: Io, Europa, Ganymed en Callisto.

withete stier – Jupiter veranderde zichzelf in een witte stier om zo de fenicische prinses Europa naar Kreta te ontvoeren en in zijn godengestalte te bespringen.

adelaars hov – Jupiter veranderde zich in een adelaar en wist zo met de herdersjongen Ganymed naar de Olympus te vliegen, waar hij hem tot ‘Mundschenk‘ (hofschenker) maakte aan zijn godenhof, zoals dat in een gekuiste versie heet. Maar de fellationale bijgedachte is opzettelijk. Misschien is de referentie aan Adlershof, de Berlijnse wijk waar deze dichter zich al meer dan twintig jaar ophoudt, een beetje hovaardig misschien en loopt ook daarom kans de finish van de gedichtenreeks niet ongeschonden te halen. Work in progress, eben.

transgender menner – als transe godin Diana wist Jupiter tot de kuise nimf Callisto door te dringen. Nog voor ze het bedrog had doorzien, was ze al zwanger.

jimiis natuurlijk de goddelijke gitaarvirtuoos Jimi Hendrix.

lady godivaJupiter als lady, god en diva, misschien wel naakt voort dravend op een witte stier. Naar Godiva, de Angelsaksische gravin van Mercia (ca. 980 – 1067), die volgens de legende naakt op een paard door Coventry reed om haar man, graaf Leofric, te bewegen af te zien van de zware belastingen die hij zijn onderdanen oplegde. Lady Godiva werd overigens door velen in de popmuziek bezongen. Van het popduo Peter & Gordon (1966), via de Velvet Underground (1967), Queen en Dr. Hook, tot Simply Red (1987) aan toe! Jimi Hendrix helaas niet, die had het alleen maar over een Foxy Lady, misschien wel omdat die net als de gravin van Mercia van die mooie, lange rode haren had.

Juno – in de Romeinse mythologie de godin van geboorte, huwelijk en zorg, zoals Hera dat voor de Grieken was. Ook was Juno een soort beschermheilige van de staat. Ze is de zuster van Jupiter en ook diens echtgenote. Daarmee werd Juno ook de Romeinse oppergodin.  Jupiters promiscüe gedrag zal de strenge en strijdbare Juno wel afgekeurd hebben, maar ze bleef haar echtgenoot trouw. Juno had haar broer/man wel door, want ze stond bekend om haar scherpe, doordringende blik. De Juno van de 21ste eeuw is met zo veel verfijnde apparatuur beladen, dat haar blik de ondoorzichtige atmosfeer van Jupiter zal doorlichten.

Jesús, wat een gedoe – de verzuchting van Zeus is het “rare Romeinen” (Obelix) van deze Griekse godenkoning, die model stond voor Jupiter als boss van de Romeinse godenwereld.

*

 

Tijd, getijden, gelijktijdigheid

jack spicer

Meteen nadat ik mijn vertalinkje en een stukje over de Amerikaanse dichter Jack Spicer, de Brexit en de gelijktijdigheid der tijden had gepost (j.l. zaterdag), vond ik tot mijn grote vreugde Mütze # 12 & 13 in de brievenbus. Bestaat er nog wel zoiets als toeval of is toch echt alles met alles vervlochten?

In beide nummers de eerste van de vier Vancouver Lectures (in tweeën geknipt) die Spicer daar in juni 1965 heeft gehouden (in de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger). In de voordracht en aansluitende discussie met publiek behandelt Spicers ideeën over poetic dictation, over het poëtisch dictaat en de dichter als medium, als radiotoestel dat gedachten en gedichten uit de ether oppikt en doorgeeft. Spicer geeft als speelse uitleg ook wel marsmannetjes de schuld, die de kamer en de keuken van de dichter binnendringen, het meubilair verschuiven en hem de gedichten dicteren. De dichter is eigenlijk niet veel meer dan een kosmisch doorgeefluik, zeg maar.

Maar toch, Spicers door en door geconstrueerde poëzie maakt nu helemáál niet de indruk dat ze hem zomaar is aangewaaid of aangedragen werd door geesten of goden. Maar toch houdt de dichter onwrikbaar vast aan zijn ietwat absurde idee dat zijn beste verzen werden voorgezegd. Voor Jack Spicer is gedichten schrijven geen, zegt ie, lyrisch ambacht. Zijn handwerk bestaat hoogstens uit het geschikt rangschikken van de gedicteerde tekstdelen. Alsof de gedegen kennis, de vele bijelkaar gelezen bibliotheken en de poëtische praktijk niet zouden rond dwarrelen in Spicers geest en hij het dus zelf is die de stemmen uit de ether imiteert.

Spicers idee van poetic dictation is zijn metafoor voor het gecompliceerde, onoverzichtelijke en ook ondoorzichtige, deels intuitief gestuurd schrijfproces. De dichter vraagt zich af hoe hij op ideeën komt, of beter gezegd, hoe hij ze aangereikt krijgt. Dat idee zelf heeft Spicer van de Ierse dichter William Butler Yeats (1865-1939), in 1923 winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Yeats en zijn vrouw waren nogal van occulte en spiritistische inslag en in de trein van San Bardino naar Los Angeles raakte de echtgenote (G. Hyde Lees) in trance. De Ierse dichter vroeg de geesten die van het medium Georgie bezit hadden genomen, wat ze eigenlijk in de Southern Pacific trein te zoeken hadden. Waarop de geesten antwoorden: “We zijn hier om jou metaforen voor je dichtkunst te bezorgen.” Ja, er valt bij Jack Spicer ook over zeer ernstige zaken altijd wel wat te lachen!

In mijn stukje/geintje van zaterdag citeerde ik ook Spicer over de gelijktijdigheid der tijden: “Toekomsttijd,” zei de gouden kop, / “Hedentijd. Verledentijd.” Aan het eind van zijn serial poem, de gedichtenreeks “De Heilige Graal”, in het zevende, laatste Boek over Arthurs Dood, schrijft Spicer over het gegons in het hoofd van de stervende Arthur, de “king and future king”, die zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Ondanks al dat eindeloos gelul en die genante muziek hoort de dichter toch nog iets uit de ether: “Een gegons in het hoofd van de prins. Iets in godentaal.”

Soms komt er nog iets door. Zou het dan toevallig zijn, dat ik nog geen dag later (op zondagmorgen, 5:30 uur) aan het eind van Jack Spicers eerste Vancouver voordracht (gehouden nota bene op 13 juni 1965, de honderdste geboortedag van Yeats) het volgende lees? “Op den duur lopen verleden, heden en toekomst weer uit op de oorspronkelijke meubilering van de kamer van de dichter. Dat iets in het gedicht pas morgen gebeurt, maakt iets niet geheimzinniger dan wat vandaag in het gedicht staat en gisteren is gebeurd. Toekomst, verleden en heden zijn in velerlei opzichten met elkaar vervlochten.”

Zo stapelt Jack Spicer zijn ingefluisterde gedichten tot een poëtisch vlechtwerk. Daarin kan in elke geschiedenis alles met alles samenhangen en gelijktijdig gebeuren. Ook die notie heeft Jack Spicer niet van een vreemde. In zijn Vancouver toespraak verwijst hij naar Ezra Pound, die overigens ooit ook secretaris van William Butler Yeats was. “Pound gebruikt geschiedenis op een extreme manier: Niet als geschiedenis zoals we die in onze discussie hier te horen kregen, maar als geschiedenis in de zin dat alles met alles samenhangt.”

De eindeloze zoektocht naar de graal. De Moorsoldaten. De ene Tony en de andere. Clyde, de geile pad. Feeën, sprookjes. De dwaasdoder. Baseball. De mariniers van Tarawa. Het leven, kortom alles, trekt voorbij, geschiedenis. Ze bezorgt de koning geruis in het hoofd en laat de ridderhelmen op hol slaan.Branding. Een queeste vol rollende koppen, aanrollende golven. Als tekens uit een kosmische oceaan. In het tweede vers van het Boek Lancelot gaat dat zo:

Wandel langs het strand en luister samen naar het geruis van de oceaan.
De mariniers van Tarawa, Java, brandende olie op de hielen
Crawlen dat hun leven hen lief is.
Zeg jij en hij ook en zinloos zegt de kuststrook
Graal ter hoogte van boei 029.
In het slijk van dat ding-muziek
Golven branden langs het strand, als wilden ze mens’lijk zijn
De matrozen brullen.
Wandelend langs het strand, verliefd of niet, horen ze het gegons
Van de oceaan.

Jack Spicer is een strandjutter die de gaven van de oceaan verzamelt. En wat daar allemaal niet in de branding aan komt rollen! Dat is geen zoetgevooisd pretje. Er mag gelachen worden, maar het is een ernstige bisnis. Ergens, in een van de vier Vancouver Lectures zegt Jack Spicer dat poëzie niet voor de lol is: “Poetry isn’t for pleasure” (geciteerd door Stefan Ripplinger in zijn Gralsspiel). Zo moest de Tarawa-landing in november 1943 wel opduiken tijdens een strandwandeling. Dus moesten de Amerikaanse mariniers en matrozen, onder hevig vuur van de Japanners, in een brandende oceaan voor hun leven zwemmen bij de landing op het Tarawa atol.

Wat daarvan overblijft, is geruis en gegons, het gebrul van de branding, die “ding” muziek. Geluid zonder verdere betekenis, zonder mededeling, een leeg ding. In die zin is zelfs de Graal maar een ding op zich, een leeg midden, een vacuüm. En zoals de ding-muziek van de oceaan is voor Jack Spicer ook taal een ding, poëzie op zich, gedichten waar niemand naar luistert.

Dat ding taal

Deze oceaan, vernedert nog het meest
Met z’n maskerade.
Niemand luistert naar gedichten. De oceaan
Is niet om naar te luisteren. Een druppel
Water of een plens. Het betekent
Niets.
Het
Is broodwinning, doorsneetje
Peper en zout. De dood
Waar jongemannen naar verlangen. Doelloos
Beukt het op de kust. Witte zinloze signalen. Niemand
Luistert naar gedichten.

Jack Spicer

 

Ook Mütze # 12 & 13 zijn los verkrijgbaar voor € 6,- het stuk en als abonnement  voor € 30,- (5 stuks, naar buitenland, incl. porto) . Mijn vertaling van het 2e vers uit Het Boek Lancelot baseert op het origineel van Jack Spicer en de Duitse vertaling van Stefan Ripplinger, beide in Mütze # 11. Spicers origineel van mijn vertaling, Thing Language, is te vinden bij Poemhunter.

Sybren Polet – Eenzame ingenieur van de poëzie

Sybren Polet, een van de laatsten der Vijftigers en voor de post-vijftigers de “eenzame ingenieur van de poëzie”, is op 91-jarige leeftijd in zijn “hergeboortestad” Amsterdam gestorven. Anderhalve week geleden al, maar zijn dood werd na de crematie pas gisteren in breder kring bekend gemaakt. De dichter en prozaschrijver werd als Sybe Minnema in 1924 in Kampen geboren en debuteerde als dichter in 1946. Hij gold als auteur van “onconventioneel proza”, maar werd in de restauratieve jaren ’80 niet echt gewaardeerd. Polet publiceerde daarom tot het begin van de jaren ’90 niets meer. In 2003 ontving hij de gerenomeerde Constantijn Huygens Prijs en werd in de pers weer als “de meest eigentijdse schrijver van Nederland” bejubeld.

Sybren Polet, einer der letzten Dichter der niederländische Fünfziger und für die post-Fünfziger der “einsame Ingenieur der Poesie”, ist im Alter von 91 Jahren in seiner “Wiedergeburtstadt” Amsterdam gestorben. Sein Tod liegt  anderthalb Wochen zurück und  wurde erst nach der Feuerbestattung gestern bekannt gegeben. . Der Dichter und Prosaschreiber wurde als Sybe Minnema in 1924 in Kampen geboren und machte im Jahr 1946 sein Debut als Dichter. Er galt als Autor von “unkonventioneller Prosa”, wurde dafür in den restaurativen 80-er Jahren als nicht populär eingeschätzt. Polet publizierte deswegen bis in den 90-er Jahren nichts mehr. In 2003 wurde ihm der renomierte Constantijn Huygens Preis verliehen und er wurde in der Presse wieder als der  “modernste Autor der Niederlande” gefeiert.

Sybren Polet hatte auch großes Interesse an der utopischen Literatur und Science Fiction. Er brachte als Erster in der Niederlande zwei SF-Anthologieen heraus. Dazu ein passendes Gedicht in (meiner) Übersetzung:

UTOPIA / Sybren Polet

Specimen 20001

Nowhere was somewhere war:

die Ekklesiazusen von Aristophanes, der Sonnenstaat von

Iambulos, die Hyperboreer, die Kyrupädie, die Sonne von

Lukian /

war Abaris, das Land Meropis, Insel von Pancheia.

(- ‘die Menschen dort sind körperlos: sie sind sinnlich und

unfleischlich / nur als Form erkennbar, als Idee /

doch wie unstofflich auch immer, sie gehen aufrecht und bewegen

und sind begabt mit Bewusstsein und Sprache.’)

Somewhere was nowhere was somewhere, war:

Utopia, Antangil, Civitas solis, Christianopolis /

war Besalem, Ikaria, Makaria, Nova Solyma, Ozeana,

der Mond, Chaos, die Sonne, Syndromedia /

war Sevarambia, der Freistaat Noland, Salentum, Ophir,

Megapatogonia, Lithconia, Ikaria –

Somewhere was Nowhere was Erewhon (Der Kranke wird bestraft

für seine Krankheit, der Ausgeraubte weil er ausgeraubt wurde /

die Nachkommen für ihre untauglichen Vorfahren. /

‘Thank you sir, I had a fair trial.’)

War Gondour, Mellonta, Altruria, Aristopia, Iconia, Nequa, Intermere,

war Lemuria, Newaera, Athonia, Kalomera, Upsidonia, Meccania, Wir (1924) –

                                   Somewhere was Nowhere was Somewhere.

 

*

Notizen (in Anführungszeichen Polets eigenen Notizen):

* Sybren Polet, Persoon/Onpersoon, De Bezige Bij, Amsterdam 1974
* “Nowhere was somewhere,  von Arthur E. Morgan. Chapel Hill, 1946.”
* Polet leitet sein Utopia-Gedicht ein mit “Specimen of utopian Poetry” aus Thomas   More’s Utopia. Das utopische Alphabet und das Lyrik-Fragment waren Pieter Gilles’ Beitrag an dem Roman. In seinen Notizen gibt Polet die lateinische (More’s) und niederländische (Polets eigene) Übersetzung.
* Sybren Polets Übersetzung des utopischen Fragment ist an mehreren Stellen ziemlich verschieden von Paul Turner’s  wortwörtlicher Nachdichtung in seiner Utopia-Übersetzung, Penguin Classics, 1965. Turner verleiht Utopos den militärischen Rang von General, wo Polet ihm zum Herzog macht. Gravierender ist der Unterschied bei den beiden Versen (2 und 3) Alone I of-lands all without philosophy / State philosophical I-have-formed for-mortals.  Polet macht etwa zehn Jahren später daraus: Ich, als einziges Land, habe den Menschen ohne Philosophie / einen philosofischen Staat vorgeschlagen. Paul Turner meinte in ’65: the idea seems to be that although Utopia does not (like ancient Greece, for instance) go in for much abstract philosophizing, it has realized in practice a philosophical ideal.
* Zwanzig Jahren später verarbeitete ich diese zwei Zeilen im utopischen Langgedicht Bleistifte die ’s nicht gibt als Pieter Gilles’ 11. These.  (Jacques Schmitz, Potloden die niet kunnen, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 1984).
* Sybren Polet notiert zu sein Utopia: “Die in diesem Gedicht genannten Namen von utopischen Orten und Projekten sind,  in chronologische Reihenfolge ab dem klassischen Altertum, mehrere Werken über dieses Thema entnommen. Die Aufzählung ist aber lange nicht vollständig.”
* Polet erwähnt in seinem Gedicht sowohl Utopien als auch Dystopien. So wie zum Schluß Jewgeni Samjatins Wir – nicht wie Polet meint aus 1924 (als in der USA die englische Übersetzung erschien). Der Roman wurde aber schon in 1920 geschrieben, sei es in Rusland nicht publiziert. Auf eine Versammlung des Schriftstellerverbands wurde der Tagebuch-Text in dem Jahr nur vorgelesen  und machte dann als Manuskript die Runde in den literarischen Kreisen Petersburgs und Moskaus.
* Utopia, somewhere muß es doch sein, somehow

Známost / De kennis

Grusa Tsjechisch0001

Bij het om- en opruimen vandaag een leuke vondst uit de gedichtendoos!

Een brief en een vertaling uit 1984 van de (ik bedoel: DE) Tsjechisch vertaler Kees Mercks: “Hartelijk dank voor het bijzonder aardige gedicht dat ik ogenblikkelijk (en voortreffelijk…) heb vertaald in het Tsjechisch.” Hij stuurde z’n vertaling ook aan de Tsjechische dichter, schrijver, minister van onderwijs en van 1991 tot 1997 ambassadeur in Duitsland Jiři Gruša (1938-2011) aan wie het gedicht is opgedragen.

Het gedicht De Kennis schreef ik n.a.v. Gruša’s roman Het vragenformulier dat in 1983 in Nederlandse vertaling van Kees Mercks bij Meulenhoff verscheen. Het gedicht is deel van een cyclus over de Oost-Europese auteurs Heinz Czechowski, Jiři Gruša, Rainer Kirsch, Tadeusz Konwicki, Milan Kundera en Christa Wolf. De cyclus Met de kin getikt verscheen 1990 in Jacques Schmitz, Liefst een melkglazen spiegel, Open Atelier het Klooster, Nijmegen, met prenten van Frans de Groot (oplage 125 ex.).

DE KENNIS

(voor Jiři Gruša)

De appelboom op de plaats,

schrijft Gruša, van zijn lid. Zo

’n wijd vertakt gedicht

Tegen de dood

In groeit de tuinman op

de plek die hem het meest

behaagt, nog

Besloten ligt de vrucht

van zijn woekerende

zinnen

Bloesemend verwacht

de tuinman oude kennis

(De burokraat

met zeis en zaag)

*

Huilen

Huilen. Ik moet nooit zo lachen om provocerende, kwetsende, beledigende, verachtelijke of gewoon grove grappen. Maar keiharde columns en cartoons over moslims, christenen of joden: Het moet mogen! Alleen, ik hoef er niet om te lachen. Ik was nooit zo’n grote fan van Charlie Hebdo, maar na deze zwarte dag voor de vrijheid van meningsuiting dus wel! Om te huilen.

ceci n'est pas une religionSommigen vatten deze getekende boodschap mogelijk op als een diskwalificatie van de islam op zich. Maar ze stappen daarmee in de provocerende val van de islamistische terroristen, die de haat willen aanwakkeren. Anderen laten zich daardoor de religieuze oorlog in trekken. Of grijpen hun kans om die juist aan te wakkeren en verklaren de islam de oorlog. Nodig en misschien wel moedig zijn eerder houding en optreden die de samenhang in onze samenleving verstevigen.

Nog niet zo lang (maar vier jaar) geleden schreef Tony Judt: “We zijn in een tijdperk van angst beland. Onzekerheid is weer een actieve factor in het politieke leven van de westerse democratieën. Die onzekerheid komt natuurlijk voort uit het terrorisme, maar ook – en dat is verraderlijker – uit de onnavolgbare snelheid waarmee de veranderingen zich voltrekken, angst dat we onze baan kwijtraken, angst dat we terrein aan anderen verspelen bij de steeds ongelijkere verdeling van bezit, en de angst om de greep op de omstandigheden en de dagelijkse routines kwijt te raken. En misschien is wel de allergrootste angst dat we niet de enigen zijn die de greep op ons leven kwijt zijn, omdat de gezagsdragers dat ook zijn, aan krachten waar ze geen invloed meer op hebben.”

Het is dus bemoedigend dat sommige van die gezagdragers ook in Nederland geloofwaardig en duidelijk hun mond opentrekken, zoals Achmed A., de burgemeester van mijn geboortestad. Maar vergeet ook niet al die andere, anonieme Rotterdammers in de buurten die daar dagelijks het cement van de maatschappelijke samenhang aanroeren. Mijn vriend Rieks W. bijvoorbeeld die gestaag en al sinds lang werkt aan het integreren van lastige wijken als Spangen en Charlois waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Of mijn kunstminnende vriend Han S. – natuurlijk met de pijp van René Magritte op z’n netvlies – die de tekening interpreteerde zoals die bedoeld is: “Tekenen, filmen, dansen, toneelspelen, dichten, schrijven, schilderen; niet schieten!”

Maar helaas is dit dan ook de dag dat Geert W. (op de Britse tv) de politici de schuld geeft van de terreur “die de grenzen opengooien voor immigranten”. Hoezo samenhang van de samenleving? Morgen dus gewoon weer vreemdelingenhaat, vluchtelingenverraad en de politieke handel in haatzaad? 8.01.2015

*

Superman in boeien

De rem op de Energiewende 

Ineens is Sigmar Gabriel de sterke man. Hij heeft een zeer mager verkiezingsresultaat voor zijn partij in de formatie hooggetuned tot een overwinning. Trots toont de SPD-voorzitter nu zijn spierballen. Pronkt met z’n sixpack: Zes ministers voor de juniorpartner, evenveel als senior CDU. En vice-premier Gabriel heeft ook zijn eigen departement opgekrikt: Economische zaken is uitgebouwd met de exclusieve competentie voor de Energiewende. Onder Superman’s leiding komt er nu eindelijk vaart in het “project van de eeuw”, de energiepolitieke omwenteling, zo luidt de boodschap. Maar de superminister is lang niet zo machtig als hij er uitziet. In waarheid heeft een grote kolencoalitie de energieminister in de boeien geslagen.

In het regeerakkoord mocht de CDU haar stempel op het thema Energiewende drukken. Dat was voor CDU-onderhandelaar Peter Altmaier een makkie. NRW-premier Hannelore Kraft wilde namens de SPD de stroomprijsstijging afremmen en de fossiele energieproducenten de hand boven het hoofd houden. Ze lag daarmee op de lijn van de CDU. In Noordrijn-Westfalen zitten tenslotte de grote energiereuzen E.on en RWE, die garant staan voor vele tienduizenden banen in de fossiele energiewinning. En het eveneens door de SPD bestuurde Brandenburg wil om dezelfde reden  voorlopig ook niet af van de bruinkolenbouw. Zo werden CDU en SPD het makkelijk eens.

‘Groko voor grote concerns’

 De groene energie-omwenteling dreigt onder de Groko, de grote coalitie, pas op de plaats te maken en de fossiele energieproductie wordt voor langere tijd als “onontbeerlijk” vastgepind. Hubert Weigert, de voorzitter van de grootste vereniging voor milieu- en natuurbescherming BUND, vreest door het zwartrode regeerakkoord een “grote coalitie voor grote stroomconcerns”.

Na de atoomramp van Fukushima in maart 2011 kondigde kanselier Angela Merkel een spectaculaire ommekeer in het energiebeleid aan. De Duitse kerncentrales, waarvan de looptijden net waren verlengd, zouden toch weer sneller worden stilgelegd. En de christenliberale regering koerste daarom ineens op een snelst mogelijke overschakeling op groene energie. Vergeleken met het regeerakkoord van het nieuwe zwartrode kabinet lijkt dat inmiddels allemaal maar grootspraak.

‘Corridors’

Na de “klus van de eeuw” en de “grootste uitdaging sinds de Duitse eenwording” is de taal die er in de coalitieplannen wordt gebezigd een stuk minder ambitieus. Het akkoord staat stijf van de “corridors”, de “uitbouw-” en “ontwikkelingspaden”. De kosten en de doelstellingen, moeten “binnen de perken blijven”. De wegen naar de groene energierevolutie worden onder Merkel & Gabriel verlengd en versmald.

Echt voortvarend is de nieuwe regering eigenlijk alleen wanneer het gaat om de afslanking van de subsidie voor groene energie. Er moet snel een nieuwe wettelijke regeling komen. De huidige EEG-wet (Erneuerbare-Energie-Gesetz) garandeert de producenten van duurzame energie een vaste afnameprijs. De nieuwe, goedkopere regeling moet al met de Pasen rond zijn en over een half jaar in werking treden. De herziene wetgeving schrikt nieuwe investeerders in groene energie af en dat lijkt ook de bedoeling.

Vrijstellingstruc

Al voor de verkiezingen wilde Peter Altmaier een rem zetten op de stijgende stroomprijzen. In de ogen van de milieuminister was de EEG-wet de grote boosdoener, omdat de toeslagen voor de groene producenten worden doorberekend in de stroomprijs. Ook al maakt de groene subsidie in werkelijkheid niet eens de helft van die stijging uit. De subsidie wordt vooral door de gewone consumenten en het midden- en kleinbedrijf opgehoest. Veel grote ondernemingen worden – vanwege hun internationale concurrentiepositie – van zulke toeslagen vrijgesteld.

Die vrijstelling is omstreden. Veel van de concerns zijn helemaal geen energie-intensieve bedrijven en internationaal zou de regeling concurrentievervalsend zijn. De Europese Commissie heeft daarom een onderzoek naar deze Duitse vrijstellingstruc aangekondigd. Om Brussel nog net voor te zijn, verstuurde de demissionaire regering van CDU en liberale FDP al begin december – tijdens de formatie – nog even snel de vrijstellingen voor 2014. Normaliter gaat die lijst als een soort kerstgratificatie in de laatste week van december op de post. Het aantal verschoonde bedrijven groeit het komend jaar met 400 tot 500 ondernemingen. Al met al wordt het bedrijfsleven zo met ruim vijf miljard euro ontlast. Ook die miljarden moeten nu door de kleine stroomconsumenten worden opgebracht.

De SPD heeft met stilzwijgen ingestemd met dit cadeautje van de oude regering. Zoals de SPD ook de snelheidsbeperkingen op de weg naar een duurzame energieverzorging heeft geslikt. Sigmar Gabriel is de onderhandelingen met de CDU ingegaan met het idee dat het groene aandeel in de energie in 2030 tot 75 procent gestegen zou moeten zijn. Het regeerakkoord komt niet in de buurt van die doelstelling. De afspraak heeft de “Korridor“, het “uitbouwpad” eerder drastisch versmald: In 2025 zal het groene aandeel ergens tussen de 40 en 45 procent moeten liggen. Over meer dan twintig jaar tussen de 55 en 60 procent. Dat zijn doelstellingen die ver achterblijven bij wat ook de Wetenschappelijke Raad voor Milieuzaken niet alleen nodig, maar ook mogelijk acht.

Fossiel ‘ontwikkelingspad’

Met de schuchtere doelstelling van 45 groene procenten in de komende tien jaar bekent de SPD zich ook tot een fossiel aandeel van minstens 55 procent. Het regeerakkoord heeft het zelfs over een “ontwikkelingspad” voor de conventionele energiecentrales, die in een aparte paragraaf een “nieuwe rol” wordt toegedacht. De bruinkolen-, steenkolen- en gascentrales worden als “onontbeerlijk” bestempeld. Die passages worden gezien als een garantie voor de voorlopige voortgang van de fossiele energieverzorging. Niet alleen door de critici, maar evengoed door de grote energieconcerns, die zo bedankt worden voor hun intensieve lobby-arbeid tijdens de formatie.

De SPD heeft in de onderhandeling bovendien geaccepteerd dat de klimaatdoelen beknot worden. De vermindering van CO²-uitstoot met 40 procent in 2020 (vergeleken met 1990) staat nog altijd wel zo in het regeerakkoord, maar voor de jaren daarna wil deze grote coalitie zich niet meer vastleggen (was oorspronkelijk 55 procent per 2030). De milieubeweging heeft de afgelopen tijd gepleit voor een echte “klimaatbeschermingswet”, waarin de reductie van broeikasgassen wettelijk wordt vastgelegd. Zelfs een “Ausstieg” uit de kolenstroom zou een doelstelling kunnen zijn. De Linke willen dat in 2040 gerealiseerd hebben, de Groenen al in 2030. Zoiets is voor de kolenpartij SPD ondenkbaar.

Maar liefst vier milieuministers

Je kan wel zeggen dat de milieu- en klimaat-competentie zwaar vertegenwoordigd is in deze grote coalitie. Zo wemelt het in de nieuwe regering van maar liefst vier milieuministers. Angela Merkel was van 1994 tot 1998 milieuminister onder Helmut Kohl, Sigmar Gabriel was het van 2005 tot 2009 in de vorige Groko onder kanselier Merkel. De milieuminister van de afgelopen periode, Peter Altmaier, wordt nu als Kanzleramtsminister de nieuwe rechterhand van Merkel. De vierde, Barbara Hendricks (SPD), is vooral financiëel deskundig en moet zich als milieuminister nog inwerken.

De milieu-novice uit Noordrijn-Westfalen krijgt Jochen Flasbarth als staatssecretaris aan haar zijde. De afgelopen vier jaar was die president van  het Umweltbundesamt, de overheidsinstantie voor milieu- en klimaatbescherming. Die functie had Flasbarth te danken aan Sigmar Gabriel, toen nog milieuminister. Onder diens groene voorganger Jürgen Trittin was Flasbarth al op het milieuministerie werkzaam als afdelingchef natuurbescherming.

Öko-Kompetenz

Over een indrukwekkende “Öko-Kompetenz” beschikt ook de staatssecretaris die Sigmar Gabriel voor zijn eigen superministerie heeft binnengehaald. Rainer Baake is al 30 jaar lid van de Groenen en moet voor Gabriel de Energiewende toch nog tot een succes maken. Ervaring heeft hij genoeg. Baake was al twee keer staatssecretaris van milieu. De eerste keer – al aan het begin van de jaren ’90 – in de deelstaat Hessen onder de toenmalige milieuminister Joschka Fischer. Baake ontwikkelde de plannen voor de Duitse “Ausstieg” uit de kernenergie en werd in 1998 voor de tweede keer staatssecretaris, dit keer in de eerste regering Schröder onder milieuminister Trittin. Met zijn partijgenoot Trittin voerde hij de onderhandelingen over de “Atomausstieg” met de energiebedrijven. Rainer Baake geldt al jaren als de ware “Manager van de Energiewende”. Competenter kan niet.

Of die samenscholing van milieu- en energiecompetent personeel genoeg is om de Energiewende te redden? Vice-premier, superminister en partijvoorzitter Gabriel en zijn niet minder politiek gebodybuilde staatssecretaris Baake hebben ongetwijfeld het samengebalde gewicht om het een en ander door te drukken. Maar beiden zijn omsingeld door een kolencoalitie van de energiebedrijven, de werkgeversorganisaties, de vakbonden, de kolen-deelstaten NRW (SPD/Groenen), Brandenburg (SPD/Linke) en Saarland (CDU/SPD). En ze zijn stevig in de boeien geslagen door het regeerakkoord.