Over mofkont

Jacques Schmitz is Mofkont: dichter, vertaler, journalist. Publiceerde recentelijk gedichten en vertalingen bij Terras, Het Moment en Textkette (Dld). En columns uit "1989 - het jaar vóór de omwenteling" (e-book). Duitsland-correspondent in Berlijn sinds begin jaren '90, daarvoor Oost-Europa-correspondent in Boedapest sinds 1985. Was tot 2009 radiocorrespondent voor de NOS.

Metamorfosen (7)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2017

Moedergodin uit Çatalhöyük; Kybele, wie weet (6000 jaar v. Chr.)

Wilde wijven

Of waren ’t de tast
bare Bacchanten, nonsens;
verleidelijke meiden, boze,
bezeten, bezatte.

Of Castraten, onbetaste klote!
tempeldienaars voor Kybele:
eigenhandig gekapte
transgeslachten.

Of die Maenaden (alt 68)
met hun drugs & sex & rock
& roll en al te luid
ruchtig getamboerijn.

Wie bracht dan Orpheus om?

Ach Orph, de sentimentele
spotvogel, de zanger die harde
brokken, rotsen, tot tranen
toe, tot klotsen bracht.

Geleende lyra of barbitos,
niet steeds dezelfde
leier, van Orpheus’ goddelijke
meneer, Apollomaatje.

Geen omkijken meer
naar Eurydike, naar dolle
opgewonden nimfen, naar
het wilde matriarchaat.

Orpheus’ draai: misogynist,
Magna Mater hater, anti
Bacchus nummers gebruld,
demonstratieve knapenliefde!

En dan als dank, omgerend,
aangerand, bacchante strijd
liederen, gespleten slangen
tongen, tuig, toch…

Het idee! De Ida-
berg en tempel terug!
Veroverd! Slot

akkoord: Apollo,
de wolfshond! Verjaagd,
Orph #youtoo,

met pek en veren, mestkar,
gekruiwaagd: hoogste tijd…

Het woest gejoel, wrakend:
Kybele’s wilde wijven

Geslepen messen, ja
Orpheus, dat krijg je dan

daarvan, ook al is ‘t
pas millennia later.

*

Advertenties

Metamorfosen (6)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Het Hoofd van Medusa, Peter Paul Rubens (circa 1617)

Marmor, Stein und Eisen

Gekapt: de ongekamde
slangenkop, verschrikt,
gorgone afgrijselijk,
verstijft – #MeDusa

Gebroken: de marmeren
maagd aan het rotsblok,
geketend in steen
met ijzeren ketens

Gevallen: Zeus die
op sterfelijk stond, op
aardse dames viel, op
Danaë, niet alleen

Gemorst: Daar daalt
ogrotegod zo kleingedrukt
als Golden Shower – alweer
een zoon, Perseus

Gekoppeld: Marmor,
Stein und Eisen / los
gebroken, bandig:
Andromeda, maar hemels.

Gehuwd: Aber, onze liefde
niet –˃ eigendomsrecht.
De overval op trouw- , ‘n
groteske slachtpartij.

Gestenigd: Trekt Perseus
z’n Medusa98, versteent
hij vriend’ en vijanden –
met man en Mauser.

Gedicht: De party singer/
song/writer zingt alleen
nog voor de geesten aan
de oevers van de Styx

*

Metamorfosen (5)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Koning Midas verguldt z’n dochter – Walter Crane, 1893

Goldgirl

Aan de klare bosbron, begeert
verguld de koning
kennis

aan een honey. Honger,
dorstend. Meer money,
dan wijs-

begeerte, goud: Alles!
Wat hij aanraakt: zijn avondmaal
edelmetaal…

strekt hij één vinger, één-
maal naar z’n dochter,
wespentaille, -lief: Goldgirl!

Short stories uit de Midasreeks – 5
sterren, uitroep in de marge
-tekens:

Ezelsoren!

Zingt ‘t, zoemt ’t rond,
wespennest -om Midas’
geheim: Luister

Vink!

Aristophanes’ old
comedy: Midas,
stiekem

IM!

*

Metamorfosen (4)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Houtsnede uit Duitse vertaling van Boccaccio’s “De molieribus claro” (druk 1474)

Alle 14 raak

De muzenbron, poetry slok op
de Parnassus, of toch gewoon
maar ’n fonteintje: een kelkje
klaterwater.

Ook Amphion dronk / drong
zijn Niobe. Greep haar – zo
vaak z’n lier: dronken
bezongen!

Niobe, de poes, zelf
ingenomen met haar schaar:
veertien kittens, maar liefst.

Kat dan Leto om haar schamele
tweeling. Schampert: Schaars!
Dan spannen dus Titanen-
kids hun bogen: pijlen
wolk:

Alle veertien, ach, allen
aangeschoten – én
raak!

Amphion zelf geschonden,
Niobe ook tot / dode
steen (not yet marble).

Ach, Achelous… Nu nog
vloeien witte tranen
dwars door Hellas.

Och! Stomdronken
dichters, dodendans
met trauer

fahne…

*

Metamorfosen (3)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

Apollo en de Horae, Georg Friedrich Kersting (1822)

Jachtgebied

Phoebus, Apollo, valt niet ver
van z’n stam: doorkruist
Zeus’

jachtgebied: Bij bosjes!
Die nimfen – bij bergen
met hun spleten en hunker
holen in de buurt
van Delphi.

Lichtvoetig volgt het jong
de geile geur van angst
zweet, die ’t godenkroost
voor wierook houdt.

Het spoor dat de delphische
maagd daar achterlaat, lokt hem
naar haar caverne; ver-

volgt haar, Castalia,
tot de – voort, voort!
vluchtige, dat kalf,
verdronken;

volgt haar vlug, heel
het jaar door, elk uur
te voet.

De dichter met zijn tiere
lier, z’n jeukend
neusje, loopt:

zijn pijl achterna, noodt
haar

gedwongen.

*

Metamorfosen (2)

Poezieweek 25 jan. – 1 feb. 2018

 

Piero del Pollaiolo (1441-1496), Apollo & Daphne

Hazewind

(Litaniae Lauretanae)

Sneller dan de wind ’t licht
– met godspeed – vlucht ze
als hij haar naroept:

Nimf, ik jaag je niet. Zo vlucht
toch – trillende vleugels – de duif
voor de adelaar.

De hond, Apollo, holt. Hij jaagt
haar, de jaagster, het haasje.
Rep je, wind!

De gejaagde maagd bidt
in samenzang: Oh Daph, ach
Lauri…

Haar haren bladeren.
Haar armen takken.

Onder ’t schors nog
betast hij haar
bevende…

“Woef!”

*

Metamorfosen (1)

Poëzieweek 2018, 25 jan. – 1 feb.

Jean-Léon Gérôme (1824-1904), Pygmalion, rond 1892.

Als was

Van Cyprus, die losbandige 
meisjes, die hoerige wijfjes. 
Hoornige rotsen voor de kust: 
bronstige bullen.

Afkerig keert hij, Pygmalion, wendt
zich tot zijn werk: de kunsten-
maker, ach, je moet wat: avenidas,
flores, mujeres (verzinnen).

Die beeldige Galatea, gehouwen,
geslepen. Gestreeld 
ivoor, gekneed.
In zijn vingers

als was. Wat verbeelding 
al niet vermag. My! - 
Venus, Diana, perse
phone me, fair lady!

En dan liefst zo'n knap 
kontje (als dat 
mag...)

*

Oceaanbodem

Vandaag 52 jaar geleden overleed de Amerikaanse dichter Jack Spicer in het ziekenhuis van San Francisco. Veertig jaar jong, maar een wrak. Een dronken schip gestrand. Pakweg drie weken eerder was de homo-dichter in de lift van zijn flat in elkaar gezakt. In het General Hospital lag hij meestal in coma, maar kwam af en toe bij en communiceerde, zij het kort en moeizaam. Zijn laatste woorden tegen vriend en mede-dichter van de Berkeley Renaissance, Robin Blaser: “My vocabulary did this to me…“. Zijn woordenschat, zijn taal, zijn gedichten konden hem niet redden. Dichten, zei hij tijdens een lezing in Vancouver, een paar maanden voor zijn dood, doe je niet voor je lol.

Oceaanbodem

 (Ivre mort, wrecked bateau)

 

Strandt daar de dronken

lift, komt hier ladder

zat niet meer te boven

 

Verroeste schoeners, onbemande

boten aan de grond

gelopen, verzopen

 

Nergens meer – noch Wreck

Beach – binnengelopen, zo

strandt het lave-

 

Laveerloos, have-

havenloos/

 

Kort voor Vancouver roept

de oceaanbodem, zendt slechts

ruis in de mist

 

Het scheepswrak zwaait

– wuivend zeewier –

uit/

 

(Dit is het einde van het gedicht)

*

De foto is de achterflap van DE OCEAAN, een verloren book van Jack Spicer, gevonden door Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz. De verzameling Spicer-gedichten, bewerkingen, pastiches, chats en een nieuw voorwoord van Spicer verschijnt binnenkort als e-book. Omslag en binnenwerk zijn een ontwerp van Maarten Schmitz.

Berlijn neerslagtig

(voor L. J. Swaanswijk)

Alles aan’t weer is waard’loos

foto © Martin U Waltz, Berlin 1020 Street Photography Collective

Swaanswijk is natuurlijk de dichter, schilder en graficus Lucebert (1924-1994), koning der Vijftigers en mede-oprichter van de Cobra-groep, die na WO II de Nederlandse literatuur en beeldende kunst moderniseerden. Lucebert was de auteur van misschien wel de beroemdste regel uit de moderne Nederlandse poëzie: Alles van waarde is weerloos, die in neonletters op het gebouw van een verzekeringsmaatschappij in Rotterdam werd gemonteerd.

En de Berlijnse “mecker”-mentaliteit is legendair; er valt hier altijd wel wat te kankeren. En het weer is natuurlijk ook in de Duitse hoofdstad een geliefd mopper-thema. Veel wijken kwamen de afgelopen weken door forse regenval onder water te staan. De neerslag maakte veel Berlijners neerslachtig.

Te koud, te heet. Te droog, te nat. Altijd wat.

 *

Fußnote bei Ding Sprache (dts/nl)

(Voetnoot ook in het Nederlands, onderaan)

Ding Sprache ist das erste Gedicht von Spicers Language-Buch; das book erschien in juni 1965, zwei Monate bevor Jack Spicer im Krankenhaus von San Francisco starb. Es war sein letzter Kampf mit Sprache und Wirklichkeit, mit dem Wort und dem Ding. Bekannt und trotzdem öfters übersetzt, auch weil es sich als programmatisches Gedicht lesen läßt.

In Juli 2017 publizierte Signaturen-Magazin zwei Übersetzungen in Deutscher Sprache. Beide, unterschiedliche, Nachdichtungen stammen aus De Oceaan, Jack Spicers ‘verlorenes book‘, gefunden von Pim Lukkenaer en Jacques Schmitz (erscheint im Sommer 2017 als niederländisches e-book).  Signaturen hatte in Mai 2017 schon eine Übersetzung, Gegenstand Sprache, von Norbert Lange. Pim Lukkenaer bewerte in einer vergleichenden Liste der drei Übersetzungen.

Ding taal is het openingsvers van Spicers Language-boek, de bundel die in juni 1965 bij de White Rabbit Press in Californië verscheen; de laatste publicatie van een Spicer-book bij leven. Het gedicht is een van de bekendste en vaak geciteerde verzen van Jack Spicer omdat het zich ook als een programmatisch gedicht laat lezen. Thing language is daarom vaak vertaald. Nu ook door de ‘vertalers’ van De Oceaan.

In juli 2017 publiceerde het Signaturen-Magazin, het digitale “platform voor autonome poëzie”, beide Nederlandse versies in een Duitse vertaling nadat het ‘blad’ al in mei van dat jaar Gegenstand Sprache, een vertaling van Norbert Lange, had gepubliceerd. Pim Lukkenaer maakte een vergelijkend lijstje van de drie vertalingen en zijn voorkeuren.

*