ATLANTIS voor m

1.

MAASHAVEN KIL IN JE PARKA. Uren aan de kade. Alleen
de kopmeeuwen schreeuwen: dat trekt ouderwets
naar zee. Broeit. De borst tot barstens vol. Stelt je
als een brandend braambos aan, wil maar niet vergaan.

De kranen hoog en hard. Wagons, zo zwarte gaten op dood
spoor. Geknars, geklots. Grauw en bruin, roest, vuil. Olie
op het water – grillige kringen regenboog. Het midden
van de wereld.

Strakgespannen kabels alle kant. Schepen klitten,
zoutkristal, korallen aan hun kiel. Tekens, uit zee.

2.

ATLANTIS IS OP HANDEN. Zout water in je hoofd. Het klotst
tegen je tanden. Al veel te lang beloofd. Te langzaam

loop je over. Je mond vol wier en vis. En niemand wil
geloven, dat dit Atlantis is. Staat water tot je lippen.

Koraalrif op je mond. Atlantis op de klippen. Je roept
om vaste grond. De zee komt tot je oren. Je roept

Atlantis uit. Maar niemand kan het
horen. Het water boven sluit.

3.

MOOI, TOEN ZE ER EENMAAL WAS. Okselhoog. Nauwelijks
droog. Zocht rillend het midden tussen gekluisterd en
ontketend zijn. Als ze al deinde, dan brak ze de golfslag
voortijdig af. De angst om wat daar achter lag: De springvloed.

Schreef. In een stijl die nergens op leek. Neigde naar
de rotsschilderingen van Heyboers stille leerling,
zijn kale koude atelier beneden NAP: fossielen,
onderstromen, diepwaterverhalen.

Zo kraste ze zelf op papier: woorden, toevallig
gevonden, opgeborreld, wrakhout. Tekens gemorst
uit zee. Haar techniek, die van breien: minderen.

Zo schrapte ze verwarring.

4.

FOTO DOOR ATLANTIS VAN ZICHZELF GEMAAKT: klein zilvergrijs
springt uit een groot wit meer. De hals steekt uit het niets, uit
waterige grijzen, steekt eigenlijk niet maar glijdt. De flank
van een dolfijn, reikt. Waarnaar het streeft valt
net buiten het kader.

Zichtbaar: de frons en het gefluister bij haar schelp. Geen
contouren, contrasten, een vloeiende lijn van grijs in grijs.

Achter die sluier de matte glans van een grimas: verrukking,
pijn. Gezicht omhoog half afgekeerd. Zie Goya.
5.

ONDER WATER EN IK HOUD HAAR DAAR. Vaar en dompel
ontspannen mijn polsen.

De maan hangt onderuit gezakt, geknakt, aan het koord
van de horizon. Populieren langs het strandje trekken strakke,
zwarte lijnen door het wateroppervlak. Een web, dat glinstert.

Grinnikend herinnerd. De wallen rond de stad
winden zich donker borstelig
op. Het water, geschrokken, verstrakt:
een glazen, gladde plaat. Onder die spiegel
hapt Atlantis.

DE ZEILEN BOL, IK VAAR, ONTSNAP. En dompel ontspannen
mijn polsen.

In glas.

*

plusminus 1975 / bewerkt 2016

Heyboers stille leerling is de onlangs overleden kunstenaar Arie de Groot (1937-2016). Arie woonde en werkte in de jaren zestig / zeventig onder aan de Waaldijk, beneden NAP, in Dalem, bij Gorinchem. Het Rotterdamse museum Boijmans plant nog dit jaar een overzichtstentoonstelling van het werk van De Groot.

 

 

Advertenties