Cultuurbeleid / Bargoenskultur

Groschenoper Pennypoems
Dimedrukwerk Stuiversonetten
Dubbeltjesdichter Ruttoneel
Eurocentcoupletten

Jatmoosjamben Oortjesoden
Habbekratsetsen Kwartjeskwatrijnen
Grijpstuivergouaches Mansmuziek
Schellingrefreinen

Heitjekarweitje: Liralyriek
*

bargoens – dieventaal (gaunersprache)
groschen – tienpfennig stuk (zehnpfennig stück)
groschenoper – dreigroschenoper, bertold brecht, muziek kurt weil, 1928
penny – cent (cent)
pennypoems – james joyce, pomes penyeach, 1927
dime – tien dollarcent (zehn dollarcent)
stuiver – vijfcent muntje (fünfcent münze)
grijpstuiver – klein bedrag (kleine summe)
rut – platzak, blut (blank, pleite)
jatmoos – handgeld (handgeld)
oortjes – geld (geld)
habbekrats – haast voor niks (fast umsonst)
dubbeltje – tiencent muntje (zehncent münze)
kwartje – 25 cent stuk (25 cent stück)
mans – geld voor straatmuzikanten (geld für straßenmusikanten)
schelling – 30 cent muntje (alte niederländische 30 cent münze)
heitje – 25 cent stuk (25 cent stück)
heitjekarweitje – padvindersklusje voor een kwartje (pfadfindergelegenheitsarbeit)
lira – italiaanse munteenheid (niks waard) (italienische währung – wertlos)

Advertenties